Preek 4 februari 2024

Overweging op de vijfde zondag van het jaar B door Ton Zwart msc

  1. Ziek zijn. We hebben er allemaal mee te maken. Het kan verschillende vormen aannemen: lichamelijke vormen, geestelijke vormen, spirituele vormen. Hoe gezond te leven? Hoe evenwichtig te leven? Hoe zinvol of betekenisvol te leven?
    In de lezingen van vandaag komen we verschillende vormen van ziekzijn tegen. Allereerst de schoonmoeder van Simon Petrus, die met koorts te bed lag. Dan heb je nog de mensen met allerhande ziekten, die samen met de bezetenen in de avond naar Jezus gebracht werden. En tenslotte is er dan nog Job in de eerste lezing, die zichzelf ‘ziek van onrust’ noemt. Begrijpelijk na alles wat hij heeft meegemaakt. Hij had alles verloren wat hem dierbaar was. Hij zegt ervan: ” ‘s Avonds denk ik: wanneer wordt het morgen? En ‘s morgens: wanneer wordt het avond?” Het leven in het nu is voor hem niet meer te harden. Hij wil het liefst de tijd ontvluchten.
  2. In de geschiedenis van eeuwen is er op verschillende manieren naar ziekte gekeken en zijn er uiteenlopende oorzaken achter gezocht. Tweeduizend jaar geleden waren er nog geen microscopen en was de kennis van ziektekiemen maar heel beperkt. De behandelwijze sloot daarbij aan: de mensen beschikten over geneeskrachtige kruiden, maar veel meer hadden ze niet. Ze moesten vooral op offers en gebed vertrouwen, zoals wij dat eigenlijk nog steeds moeten doen als de medische wetenschap tegen een grens aanloopt.
  3. In de Bijbel wordt ziekte vaak in verband gebracht met moreel kwaad, met zondigheid. Iemand die ziek wordt zal wel iets verkeerds gedaan hebben. Hij is niet zo maar ziek geworden, maar heeft op een of andere manier de ziekte over zichzelf afgeroepen. De ziekte wordt dan een straf die hij aan zichzelf te wijten heeft.
    Een andere verklaring was dat er boze geesten in het spel zijn, die erin slagen om bij zwakke mensen binnen te dringen en ze in hun macht te krijgen. Dan werden die mensen bezeten, waren ze zichzelf niet meer en konden ze zelfs een gevaar voor de gemeenschap worden.
  4. Jezus komt tegen dit alles op. Bekend is het verhaal in het evangelie van Johannes, dat van de blindgeborene. De leerlingen willen van Jezus weten: wie heeft er gezondigd: hij of zijn ouders? Jezus’ antwoord is duidelijk: geen van beide. Noch de blinde, noch zijn ouders valt iets te verwijten. Waar komt die blindheid dan wel vandaan? Daarover laat Jezus zich niet uit. Wat hij wel zegt is dat in de genezing van die blinde Gods werk zichtbaar wordt. En dat ziet hij als zijn taak. Zo lang als het dag is, moet hij het werk van God vervullen en genezing brengen waar het nodig is. De ziekte is geen straf, komt niet van God, is juist anti-God, een werk van kwade machten. Het is juist in de genezing dat de menslievendheid van God openbaar wordt. De hand van God is niet zichtbaar in wat kwaad is, maar juist in wat goed is. En daar zal Jezus zich voor inzetten.
  5. Wat God wil is dat mensen volop leven, dat zij gezond zijn en gezond oud kunnen worden, dat zij niet kreupel of blind zijn, ook niet gestoord of bezeten, maar mensen die over zichzelf kunnen beschikken en een eigen leven kunnen leiden. Daar zet Jezus zich voor in. Lees het evangelie er maar op na. Hij trekt zich steeds het lot aan van de lammen, de doven en de blinden. Hij staat steeds klaar om bezetenen te bevrijden van de dwang die hen gevangen houdt. Hij wil mensen aan zichzelf teruggeven en hun menselijke waardigheid herstellen. Dat is wat God wil, dat is een teken dat het Rijk van God nabij is gekomen.
  6. De lezing van vandaag plaatst het werken van Jezus in de context van gebed. Tot in de avond is hij met allerhande ziekten bezig. Vroeg in de morgen zoekt hij een eenzame plek op om te bidden, om daarna te weigeren zich tot één dorp te beperken.
    Alles wat Jezus doet, doet hij in verbondenheid met zijn hemelse Vader. Hij is er zich van bewust niet in zijn eigen naam te werken maar het werk van zijn Vader te volbrengen. Zijn verkondiging en zijn optreden als geneesheer is het vervullen van de wil van zijn Vader. Het is allemaal uitdrukking van een God die mensen liefheeft en het beste met ons voorheeft.
  7. Door de eeuwen heen heeft de kerk dit goed begrepen. De gezondheidszorg is altijd een belangrijk werk van de kerk geweest. De ziekenhuizen hier in Tilburg, en op vele andere plaatsen, zijn begonnen door religieuzen of in ieder geval door christenen. Het kan vergeten worden, omdat het Mariaziekenhuis in het Tweestedenziekenhuis is veranderd, maar gelukkig is het grootste ziekenhuis nog altijd het Elisabeth Ziekenhuis, ook al wordt het woordje Sint er vaak van afgelaten.
    Het is zaak om de oorsprong van de Nederlandse ziekenzorg niet te vergeten en te blijven zien dat een goede gezondheidszorg een wezenlijk onderdeel is van de Blijde Boodschap, onze aandacht als christenen meer dan waard. Zo is het begonnen en zo moet het blijven. De Blijde Boodschap is mensvriendelijk, wil gezonde mensen, wil evenwichtige mensen, wil mensen met zin in het leven.
    Het zij zo, amen.