Ad van Hest msc

60 jaar geprofest

Zestig Jaar MSC

Zestig jaar profest MSC, Zestig jaar, het is allemaal wel erg lang geleden om me nog precies te herinneren hoe het allemaal begon. Bovendien moet je er eigenlijk nog eens vier jaar Tilburg bij optellen, en drie jaar Diehuis, en een jaar Berg en Dal, en dan is het zelfs 68 jaar geleden dat mijn MSC avontuur begon. En terwijl ik nu best wel blij ben, dat het toen MSC geworden is, kan ik me eigenlijk niet echt herinneren, waarom ik toen voor de Rooi Harten “gekozen” heb.

Tegen de achtergrond van een katholieke cultuur van Tilburg en van een gemiddeld katholiek gezin van toen (iedere dag naar de Mis en ‘s zondag twee keer en elke avond rozenhoedje – op advies van de pastoor met een extra tientje toen ik eenmaal op de apostolische school zat, zodat ik het vol zou houden) was zo’n keuze niet eens zo heel speciaal. Maar waarom nu precies MSC, is me nog steeds een beetje een raadsel. Terwijl we, zoals de meeste Tilburgers toen, waarschijnlijk wel een vage notie hadden van de Rooi Harten, kende ons gezin eigenlijk geen enkele levende MSC’er die als inspiratie gediend kan hebben. De enige MSC-link die meegespeeld kan hebben, was een wat roestig missiebusje, dat niet meer dan een paar stuivers bevat kan hebben, voor de missie van Pater Louis Helmer, Missionaris van het Heilig Hart. Pater Helmer was een wat verre neef van mijn vader die als MSC in Nieuw Guinea werkte, bij ons eigenlijk alleen bekend in de wat vage familie trots dat hij al uitverkoren was om tot bisschop gewijd te worden (iets wat overigens vele jaren later bevestigd werd door Jan Bovenmars), maar helaas in 1947 tijdens zijn vakantie in Moergestel door een auto werd aangereden en stierf. Waarschijnlijk zijn het echter de fraters van Tilburg geweest, die me niet alleen overtuigde dat priester worden wel iets voor mij was, maar die me bovendien richting MSC gestuurd hebben, Natuurlijk speelde het ook een rol, dat MSC het meest betaalbaar was, anders was het misschien wel Mill Hill (de “Rooi Pannen”) geworden, waar ik een twee jaar oudere neef had met wie ik daar, tijdens vakanties, een paar best wel interessante excursies heb gehad.

Dus, voorzienigheid of goed geluk, en hoe embryonaal ook, natuurlijk ook wel een stukje eigen keuze, het werd de Bredaseweg. Ofschoon je er in die tijd zelfs een “engelbewaarder” bij kreeg (de mijne hen ik toen overigens zo weinig gezien, dat ik me zelfs zijn naam niet kan herinneren), was het allemaal wel even wennen, maar in het algemeen kijk ik er naar terug als toch wel een leuke tijd. Voor mij, denk ik, werd het MSC-zijn voornamelijk wat duidelijker, omdat er altijd wel paters-leraren waren die meer waren dan leraar, die meer inbrachten dan hun latijn en Grieks, hun geschiedenis en wiskunde, maar die echt interesse toonden in hun studenten; die aan konden reiken wat echt belangrijk in het leven was, die je hielpen ontdekken waar je eigen mogelijkheden lagen. Mensen met een hart zouden we ze in ons meer eigentijdse jargon kunnen noemen. Ik had toen niet de indruk dat ze in de meerderheid waren, maar ze waren er wel, en werden een soort model voor MSC zijn. Voor de rest, was het voor de meesten van ons toch meer een op weg zijn naar priester worden, dan naar MSC worden. De overgang van Tilburg naar Driehuis na de quarta, was voor mij overigens wel een moetje. Driehuis was een erkend gymnasium geworden, en al de “betere” studenten moesten daar dus naar toe. Op zichzelf natuurlijk ook wel de kans van je leven, want zo kon je in elk geval een echt diploma halen, maar de nadruk was wel zo sterk op studeren en slagen komen te vallen dat het de sfeer een beetje verpestte (tenminste voor mij). Maar toch ook weer niet zo dat het allemaal kommer en wee geweest zou zijn. Bepaald niet. En ook daar waren MSC leraren die het systeem te boven gingen en modellen aandroegen van wat MSC zijn kon betekenen.

Eén moment waarop dat behoorlijk mis dreigde te gaan was toen ik aan een van onze meer menselijke MSC-leraren  namens de klas, of het feest comité of wat het ook geweest is, het verzoek moest over brengen of hij ons wilde helpen bij de regie van een toneelstukje of zo. Het was gewoon het verkeerde moment, maar dat realiseerde ik me toen natuurlijk niet, en zijn antwoord was tot mijn verbazing heel kwaad en heel negatief. Hij was net een van die MSC’ers die heel bewust en heel vaak sprak over de MSC geest, dus mijn wat nijdige reactie “is dat nu die beroemde MSC geest waar u het altijd over heeft?” was geen erg gelukkige. Het werd allemaal hoog opgenomen, en nog dezelfde dag moest ik bij de rector komen: “meteen terug en je excuses aanbieden, anders moet ik je naar huis sturen”; daar kwam het in elk geval zo’n beetje op neer. Ik terug voor de wat bizarre (gereconstrueerde) dialoog: Ik: ik moet van pater rector mijn eksuses aanbieden. Pater: Nou doe dat dan. Ik: Bij deze mijn excuses. Pater: Daar meen je niets van. Ik Doe ik ook niet, want ik was terecht teleurgesteld. Ook wel kwaad, waarvoor wel excuses. Allemaal een beetje bizar, en ik denk dat we toen allebei wel een beetje moesten lachen, in elk geval achteraf. We zijn in elk geval in goede vrede uit elkaar gegaan en ik heb er verder nooit last van gehad. Ik vermeld het maar in de geschiedenis van mijn MSC-zijn, omdat het me toen al duidelijk begon te worden dat zelfs voor de vurigste MSC’er, MSC-zijn mensenwerk blijft, en dat het best wel eens mag mislukken. Een herinnering en een persoon, overigens, om dankbaar voor te blijven.

Na drie jaar Driehuis (de meesten die uit Tilburg kwamen verloren een jaar), het novitiaat ingegaan zonder geslaagd te zijn voor het eindexamen. Waar of niet, maar pas veel later hoorde ik, dat ik een goede indruk gemaakt had op de provinciaal door er voor te kiezen toch naar het novitiaat te gaan in plaats van een jaar over te doen om mijn eindexamen te halen. Onverdiende lof, en eigenlijk wel wat grappig, want de reden waarom ik geen jaar over wilde doen was dat ik “pisnijdig” was op een school systeem waarin je met een 7 ½ gemiddeld kon zakken voor je eindexamen.

Het novitiaat dus: niet erg van genoten, ofschoon ik onze novicenmeester, Willem Jaspers, een geweldige man vond. Ik moet in die tijd lichtelijk ongenuanceerd geweest zijn en vond de typische novitiaatspraktijken eigenlijk een beetje infantiel. Toen ik dat aan Pater Jaspers vertelde, en ook dat ik daarom misschien beter naar huis kon gaan, was hij het – naar eigen zeggen – wel een beetje met het eerste eens, maar beantwoorde de tweede helft zo ongeveer met: natuurlijk mag je naar huis gaan als je dat wilt, maar als je je het mij vraagt zou je dat dan nu om de verkeerde reden doen; je bent hier gekomen omdat je MSC wilde worden, niet omdat je graag novitiaat wilde doen; dit is niet het echte MSC leven; dit is maar een jaar oefenen, daarna begint het echt. En zestig jaar later denk ik dan, goed dat ik gebleven ben.

Terugdenkend ging het in het novitiaat overigens niet erg om het MSC-zijn, maar voor zover mijn herinnering gaat, meer over een generiek religieus leven: leven volgens de evangelische raden, en dan nog voornamelijk verstaan in die tijd als iets wat je deed voor je eigen zielenheil. Natuurlijk ging het ook over de Heilig Hart devotie, maar – en dat is ongetwijfeld een beetje al te simpel – ik kan me uit het novitiaat van Jules Chevalier niet veel meer herinneren dan dat hij van een berg viel en voor dood aangezien werd, en eigenlijk niets over de rijke keuze die hij de mensen voorhield om met nieuwe ogen naar God en dus ook naar elkaar te kijken. Of ik dat toen gemist heb? Ik denk het niet; per slot van rekening wilden we toen toch vooral, zij het binnen een religieuze gemeenschap, priester worden.

Dat bleef ook wel zo’n beetje de voornaamste drijfveer na de professie, tijdens filosofie en theologie. Die studie beviel me overigens veel beter dan de gymnasium vakken van de apostolische school. Er waren wel eens momenten, natuurlijk, dat je je afvroeg: waar heb ik dat nu ooit voor nodig, maar we leerden er wel denken, logisch en inhoudelijk, aan de hand van heel bekwame leraren. Onze theologie was ook de tijd dat de opleiding een ietsepietsie minder besloten werd. We hadden onze bouwkampen, zelfs een paar gemengde waar je ook met normale mensen in aanraking kwam, en er was zelfs de mogelijkheid voor een avond per week jeugdwerk in Geleen. En ook het GIT waar wij onze theologie beëindigde droeg bij tot grotere openheid. In het algemeen werd onze kerk, in de tijd dat wij op weg waren naar de priesterwijding, een stuk opener en rumoeriger. Het was een tijd van nieuwe vragen, maar ook van nieuwe beloftes voor een kerk die meer relevant kon zijn voor mensen van nu.

Na priesterwijding en pastoraal jaar brachten ik deze sfeer van nieuwe beloften natuurlijk met me mee naar de Filippijnen, waar ik toen wel een kerk aantrof die grotendeels nog een paar jaar achter lag op de nieuwe verwachtingen. De MSC gemeenschap in de Filipijnen was al even verdeeld als de rest van de kerk, maar ofschoon we een aantal uiterst conservatieve confraters hadden, de vernieuwingen begonnen ook daar op gang te komen. En ik kan alleen maar dankbaar zijn, dat mijn eerste pastoors allemaal priesters waren die wegen vonden om de kerk dichter bij de mensen te brengen.

Ik heb indertijd wel eens het commentaar gehoord van onze jongere confraters, dat we er toen in ons apostolaat eigenlijk weinig aan deden om de MSC als congregatie te bevorderen. En dat was gedeeltelijk best waar. De MSC gemeenschap was vaak voornamelijk een plek om op adem te komen, niet waar je je inspiratie vandaan haalde. Oversten waren vaak instanties om te vermijden, niet altijd mensen die je konden inspireren. Benoemingen waren vaak wat angstige tijden waarin je maar moest afwachten wat je nu weer op je brood gesmeerd kreeg, in plaats van gelegenheden om als gemeenschap te kijken waar je het meest nodig was. Toegegeven, een beetje te zwart/wit, want eigenlijk was MSC gewoonlijk best een gezellige club en er waren altijd ook wel mensen met wie goed samen te werken was.

Beginnend met het werk van Cuskelly, werd MSC-zijn, tenminste voor mij, meer een bron voor inspiratie, toen we woorden begonnen te vinden als “spiritualiteit van het hart” om uit te drukken wie we echt wilden zijn – niet echt iets nieuws natuurlijk, want veel van onze oudere mensen hadden echt wel hart voor mensen (al zagen wij jongeren dat toen niet altijd meteen), maar wel een vernieuwing, die nieuwe inspiratie bracht om MSC te zijn. Of, zoals een van onze oudste confraters mij leerde – hij vond het het toppunt van arrogantie om onszelf “Gods hart op deze wereld“ te noemen – steeds meer MSC proberen te worden.

Met het ouder worden, realiseer ik me overigens ook meer dat we misschien soms te veel van onze MSC gemeenschap verwachten. Ook een religieuze gemeenschap blijft mensenwerk, waar best wel eens gewonden vallen. Maar er staat genoeg positiefs tegenover aan onderlinge steun em vriendschap. Kleine dingen soms, zoals een ongeschreven regel in onze pastorie – het was een parochie waar we veel werk in de avond hadden – dat niemand in een donker huis thuis hoefde te komen; er bleef altijd wel iemand wachten om te horen hoe het allemaal gegaan was. En als je met mensen uit onze MSC parochies praat, hoor je altijd hoe toegankelijk ze MSC priesters vinden.

Vanaf 1991 werd alles voor mij een beetje anders. Het was de tijd dat mijn gezondheid het niet meer toeliet om dagelijks van de ene barangay naar de andere te hoppen voor bijeenkomsten, projekten en vieringen. Het leek een beetje een keuze te worden tussen pastorie-sacristie-kerk priester te worden of om terug te gaan naar Nederland. Voordat ik tot dat laatste kon besluiten, werd ik gevraagd om secretaris van de provincie te worden, en vandaar ook weer lid van de raad. Daar was ik toen best toe bereid, voor een jaar of vijf of zo. Geen idee dat het uiteindelijk zo’n dertig jaren zouden worden, waarin ik mee mocht helpen in de opbouw van de Filippijnse provincie. En dat houd je uiteindelijk niet vol als je niet echt van het MSC-zijn bent gaan houden.

Ik ben er meer en meer van overtuigd geraakt, dat het beste wat we de mensen te bieden hebben niet onze drie geloften zijn, maar een gemeenschap waarin we, met al onze verschillen, hart hebben voor elkaar. Na zo’n dertig jaar in MSC administratie, weet ik best dat het niet altijd werkt, maar als we op on best zijn, kunnen we ook andere mensen laten ervaren dat leven vanuit het evangelie mogelijk is. Leven in het voetspoor van Jezus van Nazareth, de mens die altijd zijn hart durfde te laten spreken, die altijd open durfde staan voor iedereens noden, omdat dat de wil van de Vader was, omdat God zelf nu eenmaal zo is. In de mate dat we zelf zo kunnen leven, hebben mensen een boodschap aan ons. En dat is natuurlijk niets nieuws; daarmee staan w dicht genoeg bij de oorspronkelijke inspiratie van Jules Chevalier. Daarmee staan we als MSC natuurlijk ook niet alleen, maar kunnen we samenwerking zoeken met veel mensen van goede wil.

Zorg dragen voor je eigen MSC gemeenschap, waar de laatste helft van mijn MSC leven de nadruk op viel, is natuurlijk veel saaier dan de meer directe pastorale zorg voor “gewone mensen”. Maar als het kan helpen dat andere confraters dat meer directe pastoraat beter kunnen doen, en langer, en gelukkiger, dan brengt dat och ook zijn eigen voldoening.

Terugkijken op zestig jaar MSC, zijn dat geen zestig jaar die ik aan de MSC gegeven heb, maar veel meer zestig jaar betekenisvol leven die MSC mij gegeven heeft.

One comment

Leave a reply to Engelbert Wigchert Cancel reply