Antoon Egging
60 jaar geprofest
Kiezen voor het kloosterleven is een kiezen voor een bijzondere levenswijze. Dat betekent dat die keuze niet zomaar iets vanzelfsprekends is. Kloosterleven vraagt dan ook om een zekere discipline, die je deels moet aanleren en verder laat rijpen. Het vormt je, want je wordt deel van een gemeenschap, waarvan je de leden niet zelf heb uitgekozen, maar op wie je wel kan vertrouwen, want haar leden, hoe verschillend ook, hebben eenzelfde hoger doel voor ogen. En dat geeft elkaar steun.
Dit allemaal goed realiseren is beslist te hoog gegrepen voor een jongen van 12, 13 jaar die naar het kleinseminarie gaat! Toch krijgt hij hier wel een basisvorming en eerste gewenning. Naast een goede middelbare schoolopleiding, tref je je medestudenten ook na schooltijd weer aan in het internaat. Het is een andere situatie dan thuis, in het gezinsleven.
Laten we daarom even stilstaan bij enkele feiten namelijk het waarom en hoe?
De reden waarom een jongen naar een seminarie ging had weliswaar een godsdienstige achtergrond, van huis uit meegekregen, maar het was meestal nog niet zozeer op gericht dat je kloosterling zou worden -althans bij mij was dat het geval-. Wèl om missionaris te worden: goed te zijn voor mensen in verre landen en hen daar vooruithelpen. Wat daar natuurlijk wel bij hielp wanneer je dan het voorbeeld voor ogen had van iemand uit de familie of dat er iemand was die je via de school enthousiast had gemaakt. Het werd in het algemeen als een eer voor de familie beschouwd als een kind naar het seminarie ging om priester te worden. Dit gold heel bijzonder voor hen die voor jezuïet of priester van een bisdom kozen. Om missionaris -broeder of pater- te worden, daarvoor was er een ruime keuzemogelijkheid en lag de lat minder hoog. Toeval en in mindere mate het verschil in spiritualiteit van de verschillende congregaties, speelde een rol voor een keuze.
In feite zijn het bijna uitsluitend kloosterlingen, broeders/paters of zusters van de een of andere congregatie of orde, die een missie opdracht konden krijgen. In de godsdienstige opvoeding van de jeugd kwam de missiegedachte thuis al en zeker op school aan de orde. De kerk was over de hele wereld in de groei en dat besefte men. Deze omstandigheden waren duidelijk anders en ook de kijk op de toekomst verschilt sterk van wat de jeugd van tegenwoordig wordt aangeboden; een andere tijdgeest. Nu speelt het individualisme een grotere rol en zijn andere verleidingen groter om promotie te maken en geld verdienen. Ook van de kant van de opvoeders gaat tegenwoordig in het westen minder stimulerende invloed uit om iets voor kerk en godsdienst te betekenen. De tijd ‘om heidenen te bekeren’ was in mijn tijd al voorbij, maar wel de behoefte om het evangelie uit te dragen in deze wereld en daarbij niet boven maar meer naast de mensen te staan waar men mee in aanraking kwam als missionaris. De pastorale bemoeienis ging ook sterk in de richting van
Kerkelijk ontwikkelingswerker. Dus de weg om missionaris te worden begon vroeger veelal in het gezin en leidde vandaar naar een kleinseminarie en… tot intrede in een kloostergemeenschap van waaruit de verdere, meer specifieke opleiding volgde die nodig was om priester te worden in verbondenheid met de groep waarin je leefde.
Ja, op het kleinseminarie moest men samen studeren en samenleven. Een andere stijl van leven. Jarenlang met dezelfde leeftijdgenoten. Dat kan goed of verkeerd uitvallen. Je leefde in een gesloten gemeenschap, de contacten met de buitenwereld zijn daarmee beperkt. Voor mij ook even wennen, omdat ik een jaar lang op een middelbare school gezeten had (in de tuin van het MSC-missiehuis in Arnhem waar ik ook misdienaar was!!) en ik de gemengde klassen en meer vrijheid toch als een weldaad had aangevoeld. Op de ‘apostolische school’ in Driehuis bestonden de contacten naar de buitenwereld via de sport, een (zondagse) vrije wandeling in de nabije duinen en/of door een middag in de week ingeschakeld te zijn in sociaal werk. Dat laatste gold ook voor mij en dat was helpen in een clubmiddag op het schooltje voor woonwagenkinderen in Beverwijk. Met enkele medestudenten en een meisje uit het dorp (achterop de fiets) gingen we daar via de Velser pont op zaterdagmiddag heen. Een kleine prettige onderbreking, even uit de dagelijkse sleur. Daar kwam nog een mogelijkheid bij om gedurende de vakantietijd in groepsverband o.l.v. een aalmoezenier, met ‘de bouworde’ in het buitenland je bijdrage te leveren en aan iets mee te bouwen voor sociaal belang. Het verruimde je blikveld. Zo’n groep bestond overwegend uit seminaristen van andere congregaties. In de loop der jaren komen er op het seminarie wel wat studenten bij en haken er ook weer genoeg af.
Een eerste zichtbare stap voorwaarts ná de middelbare schoolopleiding was het noviciaat in Berg en Dal. Dat brengt een grote schifting te weeg. Voor veel zal de priesteropleiding hierbij blijven en de groep die verder gaat, dunt ook uit in de studietijd die volgt op het noviciaat.
Het noviciaat werd afgesloten met het afleggen van de kloostergelofte. Dit is de feitelijke keuze om als lid van de MSC verder te gaan. In het noviciaat ben je heel sterk op elkaar aangewezen, van de morgen tot de avond, samen bidden samen werken. Deze periode is dan ook bedoeld als proeftijd voor het kloosterleven, dat niet meer zo vanzelfsprekend meer was. Wij leefden rond 1963 al in een onzekere, onstabiele tijd binnen de kerk. Ook veel priesters zagen hun toekomst niet meer zitten en hingen hun toog aan de kapstok. Die onrust werd ook binnen het noviciaat gevoeld.
Tijden veranderen snel. Ons noviciaat in Berg en Dal werd verkocht, de filosofie opleiding in Brummen werd opgeheven en zo verhuisden we, 12 novicen voor korte tijd naar Brummen om de verplichte tijd vol te maken en waar we in een prachtige nieuwe kapel de kloostergelofte zouden uitspreken. Omdat het de bedoeling was dat ons noviciaat met dat van de broederkandidaten in Brummen samengevoegd zou worden (we zijn toch immers allemaal MSC, was de achterliggende gedachte) werd er ook een nieuwe novicemeester aangesteld. Zo kregen we in Brummen een maand lang, een gezamenlijke geestelijke vorming. Daarna scheiden de wegen weer.
Na de professie verhuisden we naar Stein om daar samen met de hogerejaars de theologische opleiding in Stein te volgen. Ook dat was maar voor een jaar. We gingen daarna van Stein naar Tilburg waar we samen met een aantal andere landelijke grootseminaries het G.I.T. (Gemeenschappelijk Instituut voor Theologie) zouden vormen. Dit werd al spoedig de S.T.F.T. (Stichting Theologische Faculteit Tilburg). Daarom werden er in de kloostertuin van Tilburg tijdelijke woonruimten gebouwd de z.g. ‘bungalows’. Tijdens de bouw mochten we ook zelf nog een helpende hand uitsteken. In deze nieuwe tijd vond er weer een grote schifting plaats en ikzelf zou tenslotte als enige van mijn
noviciaatjaar overblijven.
Voor mij geldt dus: noviciaat in Berg en Dal, maar de afsluitende (tijdelijke) professie in Brummen. Dat geschiedde dan voor mij op 8 september 1965, Ja, nu dus 60 jaar geleden!
Antoon Egging msc