Levensverhaal van Huub (Huberto) van der Togt, msc
We hebben Huub gevraagd om ons zijn levensverhaal te willen toesturen vanuit Belford Roco, Brazilië b.g.v. zijn 70 jarige Professie (21 september) en zijn 65 jarig priesterjubileum op 4 september a.s.
We laten Huub graag zelf aan het woord!
Ik heb me er altijd aan gewend om in mijn leven vooruit te kijken en nooit te veel achterom. Maar nu besloot ik om een blik te werpen in mijn achteruitkijkspiegel en te pogen een uitermate geresumeerd verhaal te doen van wat achter mij ligt.
Er schoot mij een oud gezegde te binnen: “Het leven is als een schouwtoneel, eenieder speelt zijn rol en krijgt zijn deel”.
Mijn persoontje kwam voor het eerst ten tonele op 16 januari 1936 toen ik geboren werd. Dat vond plaats in een bekrompen huisvesting achter de kruidenierswinkel van A.A. van der Togt in de Dorpsstraat van Hazerswoude: een dorpje welke gelegen is in het Zuid-Hollandse polderland. Ik kwam midden in een reeds talrijk gezin.
Het waren de dertiger jaren. Het was het tijdperk van de grote, omvangrijke RK-gezinnen, onder oriëntatie van Pius XII (Casti Cannubii) die tegen elke vorm van geboorteregeling was. (Nadien in ‘68 nog aangevuld door Paulus VI met de pil-encycliek (Humanae Vitae)). En dit alles in de traditionele lijn van het lang vervlogen tijdperk van de patristiek van heilige Kerkvaders, grotendeels aangetast door sexfobie.
Gezinnen uit de meer lagere middenstand (nog zonder de pil en ook nog zonder TV) moesten zich uit de naad werken om hun gezin in stand te houden.
Mijn vader had 12 kinderen verwekt: 4 bij zijn eerste vrouw en, na zijn weduwnaarschap, nog 8 bij zijn tweede vrouw waarvan ik de hekkensluiter werd.
En toen, op het einde van de jaren dertig, brak de 2e wereldoorlog uit, en ondergingen wij in mei ‘40 de invasie van het Duitse leger in Nederland, te land en in de lucht.
Het werden duistere en verwarde jaren. Herinneringen aan vernederende armoede, honger en kou drukken een blijvend stempel op heel je verdere bestaan, en zijn medebepalend voor verdere rollen in je leven. Oorlog (tegenwoordig helaas weer in de mode) is het ergste dat mens en wereld kan overkomen, en veegt alle toekomstperspectieven volledig van de baan.
Zo kwam het dat mijn oudere broers zich vrijwillig aanmeldden voor het Nederlandse leger (‘Voor Koningin en Vaderland’) en vertrokken naar Indonesië om te strijden tegen de Japanse invasie. Mijn zussen gingen werken als dienstbodes in rijke gezinnen, teneinde het familiebudget bij te spijkeren. Mijn iets oudere broer kreeg het handig klaar om de zeevaartschool te doorlopen, en ging het zeegat uit (de zg. “Wilde Vaart” op), en ik, de hekkensluiter, ná de lagere school, een knaapje van 11 jaar, wat moest ik beginnen? Als een jong knaapje uit zo’n vroom RK-gezin, en als zodanig vroom opgevoed, kreeg ik het lumineuze idee om priester te worden, zoals de pastor van de parochie. Die snuiter had in de oorlog geen hongergeleden, bezat status en prestige en eenieder nam voor zijne ‘Eerwaarde’ de hoed af.
Mijn diep-katholieke ouders waren ingenomen met mijn (kinder-)priesterroeping. Maar, zei mijn vader: ‘Waar halen wij de poen vandaan want de opleiding tot diocesaan priester, een zogenaamde “wereldheer”(sic) kost zwaar geld daar op Haageveld en Warmond, en dat kan de bruine niet trekken!’
Het was juist het jaar 1947, toen MSC-pater Piet Hoeboer, broer van mijn moeder, voor zijn eerste verlof uit Nieuw Guinea naar Nederland kwam. Hij gaf de suggestie om i.p.v. ‘wereldheer’ maar ‘pater’ te worden, want dat kwam veel goedkoper uit.
Oom Piet gaf een rondleiding in het indrukwekkende Missiehuis aan de Bredaseweg in Tilburg, nu in mijn gloednieuwe rol van priesterstudentje.
Na 6 jaar Tilburg (seminarie) en één jaar Berg en Dal (noviciaat) deed ik mijn Eerste Professie op 21 september 1955 in Berg en Dal en daarmee werd ik opgenomen in de religieuze MSC-congregatie. Nu 70 jaar geleden. Na twee jaar filosofie in Brummen kwam eindelijk Stein in zicht en werd na drie jaar theologie-studie mijn rol van seminarist vervangen door de rol van priester en ontving ik de wijding op 4 September ‘60. Nu 65 jaar geleden.
Behalve opgenomen in de religieuze MSC-gemeenschap, was ik nu, na een
langdurig clericalisatie-proces, als volwaardige clericus opgenomen in de clerus van de RK-Kerk, en daarmee had ik een nieuwe rol verworven met status en al. Triomfantelijk ingehaald op 10 September 1960 in mijn geboorteplaats (grotendeels zwaar protestants) was daar een groot spandoek boven de kerkdeur, met koeien van letters ‘Priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedek’. En dat alles tot trots van mijn familie en uiteraard tot glorie van God. En natuurlijk van mij ook een beetje, want ik had het gemaakt.
In mijn vierde jaar van Stein vroeg de provinciaal (P. de Gier) of ik bereid was om als missionaris uitgezonden te worden naar Brazilië en werd mij een nieuwe rol toebedeeld. En zo is het gekomen dat ik na mijn 5e jaar in Arnhem op 10 November ’62 in Antwerpen op de boot stapte richting Brazilië, om op de 27e aan te meren op de kade van Rio de Janeiro. Ik werd lid van de ‘Werkkring’ van Rio welke was afgescheiden van de MSC- Provincie van São Paulo. De Werkkring vormde een groep van een 30- à 40-tal Nederlandse medebroeders die tot de Nederlandse MSC Provincie behoorden. Dat alles is nu 63 jaar geleden. En zo begon ik met een gloednieuw tijdperk in mijn leven.
Mijn rol van nu af was die van “pater-missionaris”, en probeerde vanaf dat moment mij in te leven in deze nieuwe rol. Na een adaptatie-jaar bij een oudere medebroeder (Stef Weyers) werd ik door overste Dorus Mulder de woestijn ingestuurd, d.w.z. de zg. “Sertão”, de benaming voor de noordelijke verlaten kuststreek van de Staat Rio de Janeiro. Een ruwe streek, dun bevolkt met grotendeels arme sloebers van maniok-planters en primitieve vissers.
Gedurende vier jaar heb ik daar rondgezwalkt, eerst met een scooter, nadien met een oude opgekochte jeep, op onbegane wegen van modder of stof en zand. Ik heb daar geleefd, zo arm als een luis, afgezonderd van de wereld zonder enige vorm van communicatie. Ik voelde me een missionaris in de klassiek oude stijl. Maar ik was nog jong (rond de 30) en genoot van deze confrontatie met land van Brazilië in zijn nog bestaande, koloniale oorsprong. Een stukje Brazilië waar de klok had stil gestaan.
Maar niet te vergeten zaten we intussen in de jaren 60. De klok had niet stil gestaan. Hadden zich in de naoorlogse jaren 50 al de nodige crisissen aangekondigd, in de jaren 60 kwamen wereld en de RK-Kerk in de stroomversnelling terecht. Ook de RK kerk, behoudzuchtig in de strijd tegen iedere vorm van moderniteit, dreigde te kapseizen.
De wijze profetische Giuseppe Roncalli (Johannes XXIII) riep moedig een Concilie bijeen (Vaticanum II) teneinde de RK kerk weer recht te zetten en na lange tijd gesloten deuren en ramen open te zetten en de Kerk te engageren in een wereld van constante evolutie en verandering.
De jonge kerken van Latijns Amerika, Brazilië incluis, ontlenen hun oorsprong aan missionering vanuit Europa (met name Spanje en Portugal) vanaf de 16e eeuw, ten tijde van de contrareformatie, geworteld geheel en al in het Concilie van Trente (l545-1563) en werden door Vaticanum II nauwelijks beroerd.
Mijn nobele MSC-medebroeders, met hun scholastieke priesteropleiding van ver vóór Vaticaan II snapten er ook geen lor van en voelden zich gelukkig binnen de roomse, ultramontaanse en hiërarchische Kerk van Brazilië.
Wat bovendien meer de aandacht opvroeg in de jaren 60, dat was de politiek. In maart ‘64 was daar de grote militaire coup geweest, die gedurende 20 jaar militaire dictatuur veroorzaakte, waar wij allen mee te maken kregen. Maar dat is weer een ander verhaal.
In l968 ging ik na zes jaar op vakantie in Nederland en kreeg van Dorus Mulder nadien de benoeming voor een nieuwe job. Een totaal andere rol die bij mij heel verrassend overkwam en (toen nog) als gehoorzame religieus werd geaccepteerd. Er werd mij als veelbelovende jonge missionaris de rol toebedeeld van directeur van het kleinseminarie in Juiz de Fora, in de staat Minas, vijf jaar tevoren opgericht, en waarvan de bouw was toevertrouwd aan broeder Toon van Raay, speciaal daarvoor overgekomen. Als functie-model dienden de Nederlandse kleinseminaries van Tilburg en Driehuis, die juist te zelfder tijd gesloten werden. Een duidelijk teken van missionair elan, en tegelijk van oer-conservatisme van de Werkkring van Rio. Ik heb dat één jaar volgehouden. Op de jaarlijkse Assemblee in 1970 heb ik roet in het eten gestrooid, en tot perplexiteit van de conservatieve vleugel voorgesteld om het seminarie te sluiten, of, eventueel in totaal andere vorm nog proberen door te gaan. De progressieve vleugel was voor definitieve sluiting, maar haalde bij stemming maar juist 50%. Toen werd besloten tot doorgaan in een nieuwe vormgeving. Medebroeder Jan van de Ven, samen met Wil (Bill) Goossens voelde zich daartoe geroepen. Ik heb mijn taak opgelucht aan hen overgedragen. Vervolgens ben ik de parochie-pastoraal ingegaan. Voor 2 jaar in Belo Horizonte en daarna nog twee jaar in de MSC-parochie van Rio de Janeiro.
In l973 was ik weer voor vakantie in Nederland. Ik onderging een maagoperatie in het Maria-ziekenhuis in Tilburg en na terugkomst in Brazilië voelde ik er weinig voor om opnieuw zonder meer het traditionele Parochie-pastoraat in te gaan.
Er kwam een groot keerpunt in mijn missionaris-rol. Ik ben, buiten de MSC-werkkring om, in zee gegaan met de bisschop van het enorme Diocees van Nova Iguaçu, dat een groot gedeelte van de periferie van de grootstad Rio de Janeiro omvat. Zijn naam was Adriano Hypólito en was van franciscaanse huize. Hij had met een groepje progressieve Braziliaanse bisschoppen, die er toen nog waren, deelgenomen aan Vaticanum II en had in Brazilië verzet aangetekend tegen de militaire dictatuur. Hij bood mij aan om een verlaten gebied, de streek van de rivier Guandu, die, zonder enige woonstructuur, vol raakte met migranten uit verschillende staten (vooral Noord- en Noord- Oost Brazilië) en waar nagenoeg weinig of geen Kerk-presentie was, om daar een nieuwe vorm van Kerk te introduceren in de geest van Vaticaan II.
Een Kerk, gedefinieerd opnieuw als ‘Volk Gods’, geen piramidale, hiërarchisch en klerikaal van structuur, maar familiaire gemeenschappen van gelijke broeders en zusters. En daar heb ik de beste jaren van mijn pastoraal leven beleefd. Dit heeft geduurd vanaf l974 tot aan 1991: d.w.z. 17 jaar lang.
Toen medebroeder Herman Vernooy tot overste was gekozen, kwam hij al gauw bij mij op bezoek en heb ik de vredespijp gerookt met de Werkkring. Hij garandeerde een MSC-er als opvolger in de Guandu, en heb me laten benoemen voor een parochie in de gemeente van Belford Roxo. Het betrof een parochie met een heel verwarde geschiedenis die uiteindelijk volledig in verval raakte, zowel materieel als pastoraal.
Ik heb daar 6 jaar lang mijn beste krachten gewijd aan restauratie, en zelfs aan de stichting van diverse nieuwe gemeenschappen binnen dat parochie-rayon.
Na 6 jaar heb ik het overgedragen aan een MSC-medebroeder die in dezelfde
pastorale lijn is doorgegaan. Ik heb een sabbat- jaar opgeëist om mij een jaar lang te verdiepen in ondermeer moderne theologie.
Nadien heb ik nog enige jaren pastoraal opbouwwerk verricht bij een Nederlandse karmeliet en toen wederom in Belford Roxo.
Na 7 jaar als pastor in een wijk van het centrum (Ik was intussen de 70 gepasseerd) heb ik de bisschop verzocht om die parochie terug te nemen en een diocesaan priester te benoemen. Ik heb mij beschikbaar gesteld voor een nieuwe rol. Dat was als assistent in een andere uitgebreide MSC-parochie in de wijk van Heliopolis. Dat heb ik 17 jaar lang volgehouden. En ook dat heb ik nu opgegeven teneinde mij te adapteren aan mijn nieuwste en laatste rol: de rol van “bejaarde”: Je moet leren in te leveren en ritme terug te nemen.
Ik ga af en toe nog graag voor in de Eucharistie om Woord en Brood te delen met zoveel broeders en zusters om mij heen. De laatste 30 jaar heb ik zoveel vrienden en vriendinnen hier opgedaan en het maakt mij steeds weer gelukkig om hen te ontmoeten rond de Tafel van de Heer.
Ik heb op mijn oude dag niets om over te klagen of te bejammeren.
De boventoon is dankbaarheid want heb in heel mijn levensloop meer ontvangen dan gegeven. Wel vind ik het jammer dat paus Johannes XIII (Roncalli) zijn zo goed begonnen werk (ik bedoel Vaticanum II) niet af heeft kunnen maken en dat door zijn pauselijke opvolgers de deuren naar de wereld toe weer zijn gesloten.
En dat de bisschoppen- volgelingen van Johannes XXIII – strategisch door
anderen zijn vervangen. Dat gebeurde in Brazilië net zoals in Nederland.
En al mijmerende, op mijn oude dag, zie ik nu een ‘Kerk op de terugtocht’ van Vaticanum II naar Vaticaan I, en vandaaruit naar Trente.
Hier in ons bisdom werd mijn vriend Dom Adriano (al de nodige jaren overleden) vervangen door zwaar op Rome georiënteerde Ultramontanisten. En tot slot in de afgelopen jaren een bisschop van de “Opus Dei”. Er is sprake van een klimaatverandering, waarin ik niet thuis hoor en me derhalve op afstand houd, d.m.v. mijn zg. emeritaat. En ook om mijn MSC- medebroeders die wel aan het lijntje lopen niet in opspraak te brengen.
En al doende houd ik het nu op mijn laatste rol op het schouwtoneel.
En dat is de rol van “bejaarde, oude-van-dagen”.
Voor mij loopt het schouwspel ten einde en wacht ik maar af wanneer voor
mij het doek zal vallen.
Ik ben mij bewust maar een onbeduidend acteurtje te zijn geweest in het
grote schouwtoneel. Maar nu tot toeschouwer geworden, blijf ik meeleven
met alles wat er zich afspeelt in de wereld, om mij heen, want het spel gaat
door met nieuwe rollen en andere acteurs.
HUUB