Jubileum Pater Antoon Egging

Ik kom uit een gezin met 5 personen.
Vader en moeder, zus Truus en een oma (de pleegmoeder van mijn moeder heeft altijd bij ons gewoond). Een goed katholiek gezin.
Mijn moeder kwam als kind, na de eerste wereldoorlog, met veel andere Hongaarse kinderen naar Nederland. Daarom was haar pleegmoeder onze enige en echte oma, want het overlijden van haar ouders waren de reden waarom mijn moeder in Nederland bleef. De ouders van mijn vader kwamen beiden bij het bombardement van Arnhem om het leven. Mijn vader was bakker in Arnhem
Mijn vader had geen eigen bakkerij maar werkte in dienst elders. Het bakkersberoep was zwaar. Vroeg op en in de namiddag pas weer thuis, 6 dagen in de week. Tot zijn 65ste, pensioen, was hij bakker in Arnhem.
In de O.L. Vrouwe parochiekerk ben ik op 3 september 1972 priester gewijd (de kerk is al spoedig daarna verbouwd tot luxe appartementen).

Voor ik in Driehuis kwam, had ik er al een jaar middelbare school opzitten en wel in de tuin van het missiehuis van Arnhem, aanvankelijk als departement van het KGL (Katholiek Gelders Lyceum, waar ook mijn zus al op zat) maar deze voorlopige optrek kreeg snel een eigen naam “Thomas á Kempis College” . De ingang lag tussen de Una Sancta villa en het eigenlijke missiehuis.
Doordat mijn heeroom (neef van mijn vader), pater Jo Rosmüller msc uit Manado, op vakantie kwam werd ik al gauw één van de misdienaars op het missiehuis (die waren nodig voor de jonge priesters/neomisten die allemaal dagelijks hun eigen mis moesten doen). En… vandaar was snel geregeld dat ik naar de MSC zou gaan. Geen latijn op het Thomas á Kempis College, dus daarom opnieuw in Driehuis in het eerste jaar begonnen. Ik was aangetrokken om pater missionaris te worden o.a. door mooie missieverhalen.
Zo kreeg ik nu een zetje in de rug. Door omstandigheden (heeroom Jo en het missiehuis) werd het de Missionarissen van het H.Hart.
Over het kleinseminarie wil ik kort zijn. Begonnen in Driehuis, later een jaar in Tilburg en het gymnasium (C), weer afgesloten in Driehuis.
Vanuit Driehuis was ik enkele jaren met enkele medestudenten betrokken bij het “sociaal werk” op de woonwagen- school van Beverwijk d.w.z. betrokken als een leider van de club voor woonwagenkinderen, de vrijetijdsbesteding van die kinderen. Ik ben ook zeker 3 keer met hen op vakantiekamp geweest in Haaren bij Oisterwijk.
Na de msc-opleiding (noviciaat, filosofie en theologie) in Berg en Dal, Brummen en Stein en daarna met tezamen met andere seminaries op het G.I.T. (Gemeenschappelijk Instituut voor Theologie) en de S.T.F. (Stichting Theologische faculteit) in Tilburg.
Ook in Tilburg was ik betrokken bij het woonwagencentrum daar op de pater Geurtjensweg. Een keer per week jeugdclub en mannensoos. Na mijn pastoraal jaar, in de Margaretha Maria kerk (waar ik diaken gewijd werd), was ik nog een jaar als hulp voor pastor Hoes in de Petrus en Pauluskerk in Tilburg. Omdat de pastoor in dat jaar voor een operatie naar het ziekenhuis moest werd ik officieel zijn vervanger om de parochie te regelen. Zo kreeg ik (in 1971) mijn eerste officiële kerkelijke aanstelling door mgr. Bluijssen van Den Bosch.
Daarom deed ik hier in deze parochie na mijn priesterwijding de eerste plechtige mis in de Petrus en Pauluskerk. Pastoor Hoes had eigenlijk liever gezien dat ik in zijn kerk priester gewijd zou zijn, maar dit was toch een goed alternatief. De tijd tussen mijn wijding en vertrek naar de missie in Indonesië (gewijd op 3 september en aankomst in Jakarta al op 1 november) was zeer beperkt. Dus mijn priesterwijding door mgr. Nicolaas Verhoeven msc bijgestaan door mijn heeroom Joh. Rosmuller en de twee parochie-pastores van de O.L. Vrouwekerk in Arnhem én het vertrek naar Indonesië lagen in één lijn.
Ook mijn priester- idealen waren die van een missionaris elders. Dat is uitgekomen.
In Jakarta moest ik een maand geduld hebben, omdat ook een volkswagenbusje voor het seminarie Pineleng/Manado op de lijst van mijn verhuisspullen stond, moest ik “als eigenaar” op de aankomst van die auto wachten (om door te kunnen sturen naar Manado). Wel een geluk want zo kon ik even ontspannen acclimatiseren en een keer rond te gaan in Java om iets van het nieuwe vaderland Indonesië te proeven, dat deed ik ten dele samen met de broer en zus van pater Zomer. Zij wilden hun broer op Tanimbar gaan helpen. Daarom kwamen ze iets later in Jakarta aan, maar zijn vóór mij in Ambon aankomen, het bisdom waar ik ook voor benoemd was. Bovendien was mijn eerste plaats ook op Tanimbar. Wel kreeg ik van Mgr. Andreas Sol msc in Ambon nog een maandje de tijd, dat was rond Kerstmis en Nieuwjaar 1972/1973.
Dit was een voorspel. Nu ga ik even wat vlotter door.

Van 1972 tot 1984 (eerste termijn in de missie) pastor op Tanimbar (dit is een eilandengroep in de Zuid-Oost Molukken / “Maluku Tenggara”) in de parochie Lauran-Amtufu en daar kwam ook parochie Olilit Lama bij.
De parochie bestond uit een reeks dorpen, variërend van 8 tot, en voor korte tijd, maximaal 14 dorpen. Daarvoor was nodig alles goed in te plannen, want je verbleef om voldoende contact te kunnen maken. (Dopen, huwelijken. Begrafenissen waren er alleen als je ter plaatse was, want die werden geleid door een voorganger van het dorp, de guru agama). Een verblijf in een dorp duurde minstens 3 dagen en ik was uiteraard wat langer op de hoofdplaats, ook voor een bezoek aan het missiecentrum in Saumlaki. Daar waren ook ontmoetingen van alle missionarissen van het bisdom in Ambon, maar dat was kostbaar en ging daarom niet jaarlijks door.

Het grote verschil met Nederland was dat je terug ging naar een eenvoudige levenswijze: Weinig communicatie mogelijkheden, eens per maand een regeringsboot (met post en spullen) in Saumlaki en af en toe de grote missie boot van het bisdom de ‘Bakti’ .
Op Tanimbar ging ik te voet van dorp tot dorp maar ook wel te paard, daarbij rekening houdend met eb en vloed, omdat het strand bijna altijd de “openbare weg” was tussen de dorpen. Er was ook nog een kleine missieboot de ‘Lelemuku’ (u = oe) voor de aanvoer van spullen naar de dorpen.
In al mijn dorpen geen elektriciteit of leidingwater e.d. De avond viel als de zon onderging en de morgen als de zon opging en dat was vrij constant om 6 uur ‘s avonds en 6 uur ‘s morgens. De kerkdienst begon ongeveer een half uur na de ‘eerste klok’ d.w.z. een oude bom-huls waar tegenaan geslagen werd, een overblijfsel uit de 2de wereldoorlog (Japanners). Een manier van leven die wel heel erg verschilde van het leven in de moderne wereld en dát leven was hier als in een verre droom, bekend uit verhalen over de stad Ambon (minstens 2 dagen varen). Op Tanimbar (en later ook op Aru) was toen geen bruikbaar vliegveld. Alleen kon men vanaf Langgur op de Kei eilanden per vliegtuig naar Ambon. Het was de gewoonte dat er na je verlof (van een half jaar) ook een wisseling van parochie was.

Van 1978 tot 1983 was ik pastor op de Aru eilanden (hoofdplaats Dobo) ook in de Zuidoost Molukken.
Het eerste jaar daar samen met pater Antoon van Lith als hoofdpastoor van Dobo en een broeder, onderwijzer op de missieschool.
Daarna alleen met Flor Sunardianto, een MSC broeder van Javaanse afkomst, onderwijzer en bovendien de verantwoordelijke voor het katholieke onderwijs op de Aru eilanden (een eigen stichting). Ik was de enige blanke op deze (Aru-)archipel. Op Aru kon je niet anders naar de vele dorpen reizen dan met een eigen boot, dat was de Harapan II (Hoop II), alles dus over het water. De boot was mijn tweede huis, een drijvende pastorie. Belangrijk was ook dat je de medische zorg in de verre dorpen behartigde, alleen of het liefst met een verpleegster van de missie.
We bouwden een aantal poliklinieken in het achterland van de eilanden.
In tegenstelling met Tanimbar, waar bijna alle dorpen op een rij katholiek zijn, heb je op de Aru eilanden meestal te maken met dorpen bestaand uit een mengeling van protestanten, islamieten en katholieken. Bovendien hadden velen nog maar pas een keuze gemaakt waar ze bij wilden horen. Daarom waren er in mijn dorpen ook godsdienstonderwijzers uit Tanimbar en Kei aangesteld die van grote betekenis waren.

In 1984 verhuisde ik van het bisdom Amboina naar het aartsbisdom Merauke in Papoea (het voormalig Nederlands Nieuw Guinea) – mgr. Jacobus Duivenvoorde.
Van 1984 tot 1990 werd ik pastor van de parochie Wakeriop – Mandobo in het dekenaat van Mindiptana, ver in het binnenland. Hier in het binnenland was wél een wekelijkse vliegverbinding. Vanuit Merauke waren er lijnen (met vliegtuigjes voor zo’n 20/25 personen) heen en terug naar veel plaatsen in het binnenland en daarmee was er ook radioverbinding. Ook kwamen af en toe ook missie-vliegtuigjes uit Jayapura (het voormalig Hollandia). Hierdoor was het vervoer in Papoea (toen Irian Jaya geheten) veel beter dan destijds in de Zuidoost-Molukken. In het binnenland waren toen geen auto’s, wel kwam er af en toe een boot, maar het vliegtuig was algemeen bekend en werd meestal met hulp van de missie gefaciliteerd.
Van 1990 tot 1994 pastor-dekaan op ‘Pulau Jos Soedarso’ (een modder- en muggen-eiland dat vroeger bekend was onder de naam Frederik Hendrik eiland). De hoofdplaats heet Kimaam. Daar werkte ik eerst ongeveer een jaar lang met pater Antoon Verhage, die ik zou vervangen. Kleine nederzettingen op terpen in de moerassen verspreid, had hij tot wat grotere dorpen bijeengebracht op meer strategische plekken. Naast de nadruk op goed onderwijs ook aandacht voor economie. Stenen huizen, kerken en poliklinieken (opgericht door een nichtje van pater Antoon Verhage) met financiële hulp uit Nederland via pater Verhage afgebouwd of nog in opbouw. Dit gaf een enorme ‘boost’ aan de vooruitgang in dit moeilijk bewoonbaar eiland.
De missie beschikte in de centra over eigen werkplaatsen, waar men werk had en tot vakman werd opgeleid. Ook was er een missie-boot voor vervoer van spullen naar de dorpen aan de kust.
De laatste episode op Papoea (Irian Jaya) was van 1994 tot 1996 in Merauke zelf. Daar werd ik pastor van de parochie Maria Fatima in de stadswijk Kelapa Lima. Nu van het achterland naar de stad, wel met enkele dorpen aan de Maro rivier erbij. Vervoer over land met een Yamaha trail-motor. De laatste jaren in Merauke was ik naast parochie pastor van kelapa Lima ook officieel door mgr. Duivenvoorde aangesteld als zijn generaal vicaris. In een tijd van Indonesianisasi, werd ik gedwongen te kiezen voor het Indonesisch staatsburgerschap, wat inhield dat ik mijn Nederlands burgerschap zou verliezen. Het proces daarheen heb ik netjes doorlopen en werd zelfs daarvoor aangenomen, maar na overleg met de bisschop ik heb de eed toch niet afgelegd en dat betekende wel dat ik me klaar moest maken voor vertrek.
In de verte kwam een nieuwe uitdaging opduiken aan de horizon. Men zocht voor de nieuwe internationale MSC communiteit in Slowakije msc’ers die daar van start wilden gaan. Pater Pieter Rozemeijer had zich daarvoor al aangemeld en was begonnen met Slowaaks te leren, maar om gezondheidsredenen ging het niet door. Daar kon ik inspringen. Van Indonesië nu dan richting Midden Europa. Voor mij ook heel aantrekkelijk.
Ergens ook een jongensdroom omdat ik in dit deel van Europa ook familiewortels heb. Allereerst in Hongarije, maar ook in Slowakije. Na een overgang van ongeveer een half jaar om alles te regelen vertrek ik dan in 1997 naar Jarok bij Nitra in Slowakije. De taal, het Slowaaks moet ik dan nog wel leren, maar ik krijg daarvoor als hulp van Pieter Rozemeijer een taalboek cadeau. Ik ben meteen als overste gebombardeerd omdat de verhoudingen in de communiteit zo moeilijk waren. Het is me toch niet helemaal gelukt dat wezenlijk te verbeteren.
We waren voor de pastorale activiteiten verbonden aan de een parochie in Nitra (in de wijk Klokočina). De inwoners van het dorp Jarok waren ons welgezind en hielpen ons van alle kanten.
Er was al een oud herenhuis met grote tuin aan de rand van Nitra gekocht, maar het was een ruïne die nog helemaal weer opgebouwd moest worden. Na ruim een jaar verhuisde we daarheen met onze studenten die aan het seminarie van het bisdom Nitra college volgden. Ons huis, Lukov Dvor, was bedoeld als retraite centrum en daarom werden er later zusters FDNSC uit Kiribati voor dit werk aangetrokken.
Van 1997 tot 2005 verbleef ik in Slowakije. als overste van de msc gemeenschap (en daarbij als kapelaan in de parochie). Op pastoraal gebied richtte ik steeds meer aandacht op de pastorale zorg in een huis met minderbegaafde voornamelijk Roma-jongeren in Radošina en Močenok. Mijn laatste 2 jaren in Slowakije, toen pater Hegglin in Lukov Dvor erbij kwam, ben ik zelf in die gemeenschap van Roma-jongeren in Radošina gaan wonen om beter behulpzaam aanwezig te zijn. Ze hebben me niet vergeten. Ook nu heb ik nog goede contacten met enkelen van hen. Toen kreeg ik een gelegenheid om mijn pastorale zorg naar Hongarije te verleggen en zo werd in 2005 parochie pastoor in Nemesvámos in het bisdom Veszprém niet ver van het Balatonmeer. Het waren gewone parochie- werkzaamheden waar ik verantwoordelijk voor was . Ook dicht bij en gesteund door familie in Hongarije. Het was een heel mooie tijd als afsluiting van mijn verblijf in het buitenland. Vanuit Tilburg werd aangedrongen weer naar Nederland te gaan, omdat hier het aantal msc’ers die nog actief waren drastisch minder werd.
Ik geloof dat het in 2014 was dat ik naar Rotterdam ben gegaan en daar werd ik lid van de prille Nederlandse internationale gemeenschap en daar ook overste van. Uiteindelijk is dit experiment toch gestrand. Toen ik terug was in Nederland werd ik ook, als opvolger van pater Piet van Mensvoort, de missieprocurator en kwam ik ook al gauw via pater Jan van der Zandt in aanraking met het PWN, de pastorale zorg voor woonwagenbewoners Roma en Sinti in Den Bosch, waar ik me graag voor inzet.

Ik ben wat minder een zwerver geweest, meer constant op de werkplek dan menigeen denkt. Zeker in Indonesië zat ik lang op geïsoleerde plekken waar het leven eentonig was.
In de parochie Wakeriop (Mandobo) kreeg ik als advies van een voorganger om bij het van dorp tot dorp op ‘tournee’ (ze noemde het daar ‘patroli’) te gaan niet te veel na te denken of het de moeite waard is en toch maar door te blijven lopen zoals een paard met oogkleppen rond loopt in een mallemolen (die voettochten waren vaak zeer afmattend!). Dit vanwege de grote afstanden tussen de dorpen en dat alleen voor afgelegen kleine gemeenschappen.

In Kimaam vroeg een toevallige Nederlandse journalist: wat heeft het voor een zin om als Nederlander om hier dit voor dit handjevol mensen dat hier in de modder leeft, je in te zetten.

One comment

Leave a comment