Pater Bèr von Peij

70 JAAR GEPROFEST

Pater Bèr von Peij

De start van een MSC’er, midden vorige eeuw

Mijn jeugd thuis

Ik hield ervan met de bal naar school te gaan. Op een keer sloeg mijn buurjongen de bal onder mijn handen vandaan. De bal ging richting de rijweg waar net een auto aan kwam. Ik kwam onder de auto. Ik was gewond aan mijn hoofd en mijn linkerbeen was gebroken en ik werd met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Ik verbleef daar zes weken op zaal 12 bij zuster Matil.

Vader werkte op de ‘Mijn’ in Heerlen. Elke dag ging hij met de fiets op en neer. Hij kon niet met de tram mee omdat hij geen abonnement had. Toen kreeg hij een longontsteking. In die dagen was er nog geen goede behandeling en dus stierf vader in het ziekenhuis. Moeder en tante Sophie zorgden samen voor ons. Ze waren beiden naaister en ik mocht de spullen naar de klanten brengen. De lagere school heb ik tot aan het toelatingsexamen in Tilburg kunnen afmaken.

Naar het missiehuis tijdens de oorlog

Samen met al de anderen uit het zuiden die naar de MSC gingen, kregen we een plaats in Hilvarenbeek, omdat het Missiehuis in Tilburg bezet was door de Duitse soldaten. De drie laagste klassen van het seminarie kregen het parochiehuis van Hilvarenbeek als verblijf. Aangrenzend was een voetbalveld voor de ontspanning. De Refter was aan de overkant bij de zusters en de slaapzaal was in een schoenenfabriek aan de andere kant van het dorp. De kerk lag tussen beide locaties in.

Na de oorlog

Na de invasie in Normandië werden we naar huis gestuurd en pas na de bevrijding werden wij met een vrachtwagen via Maasbracht en België naar Tilburg gebracht. Als eersten waren wij op 3 januari in Tilburg in het Missiehuis terug. In afwachting van de anderen.

Toen begon de voort zetting van de opleiding en het afmaken van de Apostolische school en het Noviciaat in Berg en Dal. Na de Professie volgde het Philosoficum in Heino en als slot het Theologicum in Stein. Dit werd afgesloten met een jaar Practicum in Arnhem.

Vertrek naar Merauke

Op 3 oktober 1956 vertrokken Harrie Weijtens, Jaap Duvtenvoorde en ik naar Merauke en per vliegtuig naar Biak. Er werd daar zo naar ons uitgekeken en prijs gesteld op onze komst dat wij eigenlijk de eersten waren die gingen vliegen.

In Merauke was het wennen. We vroegen ons af ‘hoe gaat het verder’ en ‘waar gaan we naar toe?’ omdat het Bisdom zo uitgebreid was.

Tegen Nieuwjaar ging het opeens vlot. Er werd gezegd: “Maak je maar klaar. Pater Zegwaard brengt je naar Ajam in de Asmat.” Een paar dagen later waren we met de boot al in Ajam aangekomen. Mijn overste was er heen gevlogen. Omdat hij het snel weer gezien had – zoek het maar uit – pakte hij toen de boot naar Merauke terug.

Een moeilijk begin

Het was echt wennen en het ging met horten en stoten, maar het moest. Ik ben die eerste moeilijke maanden doorgekomen en daarna wende het steeds beter.

Het was er druk. Er waren 1.200 mensen in het dorp en de school draaide door een Keiese onderwijzer. Pater Drabbe zou gauw komen en mij met de taal helpen. Mijn interesse was gewekt en pater Drabbe stimuleerde dat. Na een half jaar kon ik goed mijn weg vinden met het Asmats in de kerk.

Ik werkte ook in de andere dorpen Warse, Amborep en Ndamen. Er werd een kerk gebouwd met ijzerhouten spanten, zodat deze stevig zou zijn.

Een halfjaar daarvoor was het dorp opgeschrikt door de moord op mensen van Komor, die naar het feest van 30 april waren geweest in Agats. Op de terugweg naar huis sliepen deze mensen in het mannenhuis van Ajam. Ze werden ’s nachts vermoord. Daardoor heeft Ajam wel een slechte naam gehouden.

Een grote groep Ajam-mensen was in Kokonao (Mimika) geweest, honderden kilometers westwaarts van Agats langs de kust. Ik heb nooit gehoord hoelang dat geduurd heeft, maar het moet een hele tijd zijn geweest, want velen van hen zijn in Kokonao gedoopt. Toen ze terug waren in Ajam had ik de zorg voor hen. Daarom lag het voor de hand dat ik een aangepaste kerk zou bouwen.

Op eigen benen verder

Ik moest zelf verder met de taal. Drabbe was gekomen en hij nam zijn intrek in de pastorie van Agats, 40 kilometer stroomafwaarts van Ajam en dat was een stuk van mij vandaan.

In de loop van 1958 kwamen de eerste Kruisheren en toen werd vrij snel pater Hesch aangesteld voor Ajam. Hij kwam voor mij in de plaats en ik verving Van Kessel in Atsj. De statie werd wel leeg gemaakt door Van Kessel om Basim goed-voorzien te maken. Daarom moest ik mij toch bezighouden met de conditie van het leeggekomen huis.

Ook in Atsj moest de kerk worden vernieuwd. Er waren mensen genoeg om de leem ervoor aan te slepen voor een goede vloer. En ook het kerkhof kreeg een opknapbeurt. Er werd leem gebruikt en de klei bleek ideale grond te zijn voor goede ananasvruchten. Door de droge klei waren er nergens zulke goede ananasvruchten als in Atsj.

Moeilijke tijden

Er volgden een paar rustige jaren waarin veel werk aan de winkel was, totdat de klad in de verhouding met Aman-Namkai kwam. Het conflict kwam op scherp te staan toen er een ruzie ontstond tussen Atsj en Aman-Namkai. Dat gebeurde op een dag vroeg in de ochtend. Op de grote watervlakte voor het dorp waren 70-80 prauwen op weg naar de overkant om in de mond van de Unir-rivier Aman-Namkai binnen te vallen. Maar verder dan de punt van de ingang van de Unir-rivier kwamen ze niet. Bij het zien van die vlootshow was ik met mijn boot onderweg gegaan en had dat punt bereikt. Omdat ik daar met mijn boot lag, ging er geen enkele prauw voorbij. Maar ze waren ook niet van plan om terug te keren naar het dorp. Alles wat ik probeerde om ze terug te drijven had geen schijn van kans, maar ik wilde ook geen ongelukken veroorzaken.

Motorkracht gaf mij de kans op te voorkomen dat ze via de Unir-rivier naar Aman Namkai konden varen. Tegelijkertijd probeerden ze via de overkant naar Atsj te sturen. De reactie bleef niet uit: een wolk van honderden pijlen vlogen door de lucht. Het was een wonder dat er niemand getroffen werd. Zo kwam iedereen weer heelhuids thuis in Atsj. Het was een pak van mijn hart.

Twee dagen later was er een precieze herhaling van wat er eerder gebeurd was. Toen ik hen zei terug te gaan naar het dorp, keerden ze om en toen zonder pijlen. De politie voelde dat ze die dag hun aandeel hadden gehad voor de oplossing.

De Asmat schudde in die dagen en juist toen viel het eerste slachtoffer van de cholera. Het hoogtepunt daarvan heeft Toon van de Wouw meegemaakt in het gebied van Basim met bijna 100 doden. Hij moest wel besluiten tot verbranding.

In mijn derde jaar in Atsj gebeurde het verhaal van Michael Rockefeller. Ik was er nauw bij betrokken geraakt, maar het raakte voor 50 jaar in de doofpot. Totdat Carl Hoffman het ging onderzoeken en het boek ‘Savest Harvest’ publiceerde. Dat later werd vertaald als ‘Wreed paradijs’.

Mijn verblijf in Asmat werd afgesloten toen ik benoemd werd om Lau Jötten op te volgen in Getentiri. Daar was ik van 1962-1964. Na mijn verlof werd ik secretaris van de Bisschop in Merauke.

Als ik terugkijk naar mijn leven zie ik: het was een bewogen leven, maar ik ben er blij mee.