Overweging (Jesaja 40, 1-5. 9-11; MC 1,1-8) door Henk Witte.
Als u de naam van Johannes de Doper hoort, komt er ongetwijfeld een beeld van hem in u op. Een magere, ascetische man, in een kleed van ruwe kameelharen. Hij eet eiwitrijke sprinkhanen met wilde honing. Het zijn beelden waarmee Marcus een woestijnbewoner oproept.
De woestijn, daar gaat het hem om. In het begin van het evangelie introduceert hij Johannes met woorden van de profeet Jesaja als ‘iemand die roept in de woestijn’. Hij situeert het optreden van Johannes ook in de woestijn. Opmerkelijk, omdat Johannes doopt bij de rivier de Jordaan.
Wat heeft Marcus met dit woestijnmotief? Wat wil hij ermee zeggen in deze weken die in het teken staan van voorbereiding op Gods komst?
Voor de Joden uit de tijd waarin Johannes en Jezus leefden, was de woestijn de plaats, de entourage waarin God zich kenbaar maakt. Daar wordt hij ervaren en ontmoet. Zij realiseren zich meteen dat de woestijn de omgeving is waarin zij Gods volk werden. De woestijn is hun weg naar het beloofde land.
In de woestijn krijgen zij een aantal leefregels mee, de tien geboden.
Die ter harte nemen brengt de kans op vredevol samenleven met elkaar dichterbij. We horen dagelijks in het nieuws hoe moeilijk dat is. In de woestijn is het volk op de proef gesteld. In hun ongeduld en verlangen naar zekerheid wilden zij terug naar een verleden waarin alles volgens hen veel beter was, veilig en vertrouwd.
Onverwacht krijgen zij midden in de barre woestijn steun en dat voelde ook zo: er komt brood uit de hemel; er is water uit de rots. Kortom, de woestijn was dé plaats om te ontdekken en te ervaren wat het betekent, dat God er werkelijk voor hen was.
Het is in dát perspectief dat het optreden van Johannes plaatsvindt: in de woestijn. Johannes dringt aan op bewustwording. Hij schudt ons wakker. “Ben je bewust van de houding waarmee en de manier waarop je in het leven staat”, zegt hij.
“Ik doop jullie met water”, zegt hij. Het ritueel dat mensen helpt om zich bewust te worden en te erkennen dat zij het goede spoor nog niet gevonden hebben. Het is niet eenvoudig om open te zijn voor Gods welwillendheid die onophoudelijk naar ons toekomt. Dat vraagt om inkeer, nederigheid en vertrouwen. Het doopsel ondergaan is je openstellen voor dit ongrijpbare mysterie.
Stil worden om dat alles te laten gebeuren…. Ik ben benieuwd hoe u het doet, met uw vele jaren ervaring van een leven dat op het Godsgeheim betrokken is.
Ik vind het een hele klus. De oproep in het evangelie tot bekering – met al die bergen die geslecht en dalen die gevuld moeten worden – kan ons verleiden tot veel “doenerigheid”. Ik kan me voorstellen dat u een leven achter zich hebt, gevuld met het appèl om steeds opnieuw ‘te doen’ en nog eens te doen. Uit ervaring weet ik hoe groot de verleiding is om daarop in te gaan. In uw leven was uiteraard ook écht heel veel te doen. Dat beroep is ontelbare malen op u gedaan.
Wat bedoelt Johannes? Is ons ‘doen’, zijn onze activiteiten, hoe waardevol of nodig ook, dé vindplaats om ons bewust te worden van de manier waarop we in het leven staan? Of nodigt het beeld van de woestijn uit om stil te worden en zo tot inkeer te komen?
Bij mezelf roept het beeld van de woestijn op dat ik niet weet wie ik ben en waar ik ben. Het nodigt uit om niet bang te zijn voor verlies van oriëntatie en controle. Om weg te gaan uit de drukte en het lawaai van de wereld. Om je te concentreren op je ‘eigen huis’ en eigen binnenkant.
En geduld op te brengen om te wennen aan het donker van de nacht en de donkerte van het leven. Houden we het uit om ‘niet te weten’ hoe, wat of waarheen?
Is het niet precies dàt, wat ons ontvankelijk maakt voor de ‘stille nacht’?
Want…. midden in de winternacht ging de hemel open, zingen we binnenkort. In het stille midden van een diepe nacht wordt helder wat er gebeurt als God uit zijn verre hemel naar ons toekomt en ons nabij is.
Van harte wens ik u toe dat u op uw eigen manier een weg vindt om te ontvangen wat naar u toekomt.