Doop van de Heer (jaar A)
Thema: Een mensenleven verloopt in fases: geboorte, opgroeien, keuzes maken en uitvoeren, oude dag, levenseinde. Jezus is aangekomen in de fase dat hij zich bewust wordt [bewust wordt gemaakt] wie hij is en wie hij wil zijn.
Jesaja 42, 1-4.6-7
De dienaar van JHWH, de uitverkorene, die gerechtigheid [barmhartigheid] beoefent. D.w.z. negatief uitgedrukt: geen geschreeuw [stemverheffing, overschreeuwen], het geknakte riet niet breken en de kwijnende vlaspit niet doven [geen vernieling van het zieltogende]. Positief uitgedrukt: bij de hand nemen en waken [beschermen]. Blinden de ogen openen [helen] en gevangenen bevrijden, redding uit de duisternis.
Handelingen 10, 43-38
Petrus‘ toespraak in het huis van Cornelius. God kent geen aanzien des persoons [ook de zg. heidenen zijn welkom]. Jezus brengt een boodschap van vrede [verzoening tussen de volkeren]. Hij begon daarmee na zijn doop door Johannes, een keerpunt], een zalving met de heilige Geest en met kracht. Hij ging weldoende rond en genas allen die onder de dwingelandij van de duivel stonden, want God was met Hem.
Matteüs 3, 13-17
Voor de doop. Jezus wil zich laten dopen, maar Johannes wil hem tegenhouden, vanwege zijn erkenning van Jezus als de hogere, Ik heb uw doopsel nodig en Gij komt tot mij?
Geen uitleg behalve dat het zo is vastgesteld [mysterie voor Mattheüs? Heeft het met de aantrekkingskracht van de Jordaan te maken, een keerpunt in de geschiedenis van Israël? Mattheüs geeft in ieder geval aan, dat Jezus ook vóór de doop de meerdere is van Johannes].
Na de doop. Bij het opstijgen uit het water [nieuw leven?], ging de hemel open en zag Jezus de Geest Gods over hem neerdalen in de gestalte van een duif [de kern van het nieuwe leven]. De stem sprak Dit is mijn zoon, mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb [nieuwe naam, nieuwe identiteit? Verbondsformule].
Homilie
- De doop van Jezus van Nazareth in de Jordaan betekent een keerpunt in zijn leven. Hij begint een nieuwe fase in zijn leven. Opvallend daarbij is dat die doop van Jezus verschillende kenmerken vertoont van de doop die de eerste christengemeente toepaste. Op een rijtje gezet:
Onmiddellijk na de doop stijgt Jezus uit het water op. Dit doet denken aan het doopritueel van Paulus: onderdompeling waarbij het opstaan uit het water een verrijzenis betekent, een nieuw leven;
De christelijke doop is meer dan een reiniging, een schoonwassen van wat verkeerd geweest is. Het is allereerst een nieuw begin, een nieuwe vitaliteit. En die nieuwe kracht wordt in verband gebracht met de Geest van God. Jezus ziet bij het opstijgen uit het water de Geest Gods over zich komen. Hij ontvangt kracht van boven.
De doop gaat gepaard met een nieuwe naam, ten teken dat er een omslag heeft plaatsgevonden. Jezus hoort een stem uit de hemel, die hem namen, titels, toebedeelt: hij is de Zoon, de veelgeliefde, degene in wie God behagen heeft. - Deze gelijkenis met de normale doop laat zien wat Jezus‘ doop in de Jordaan voor hem betekent. Hij wordt zich in de doop ten diepste bewust van zijn identiteit [bewustwording, awakening] en dit zal de rest van zijn leven bepalen. Hij is als het ware niet meer de zoon van zijn ouders; die zijn kinderjaren met hen heeft doorgebracht. Zijn identiteit moet hij niet op aarde zoeken, in wat hij tot nu toe heeft meegemaakt. Zijn identiteit vindt haar oorsprong in de hemel. Hij wordt tot Zoon verklaard van die goddelijke stem, die hem Zoon noemt, de veelgeliefde, die bij God geen kwaad kan doen.
- De identiteit van een mens is geen futiliteit. Zij maakt je tot wat je bent. In de doop wordt van Jezus gezegd dat het meest karakteristieke van Hem die band is met zijn hemelse Vader. Die band maakt hem tot wat hij is.
- In de eerste lezing wordt concreet uitgelegd wat die band voor consequenties heeft. Het is een band die tot bepaalde handelingen voert. Ze worden op twee manieren beschreven, negatief en positief. Negatief: geen geschreeuw, geen doodknijpen van wat zieltogend is. Positief: bij de hand nemen, waken over, de blinden de ogen openen, de gevangenen bevrijden, uit de duisternis verlossen. Het negatieve en positieve wordt dan in één woord samengevat: gerechtigheid, niet zozeer te verstaan als rechtvaardigheid (een modern begrip gebaseerd op rechten en plichten) als wel eerbied voor het zwakke en kwetsbare, blinden en gevangenen een uitzicht op echt leven bieden, volop laten leven. De Zoon van God kan niemand anders zijn dan de gerechte, de barmhartige. Zoals zijn Vader barmhartig is, zo is ook hij begaan met mensen.
- Meteen na de doop wordt die band met zijn Vader eigenlijk al op de proef gesteld wanneer Jezus door de satan in de woestijn bekoord wordt. Hij doorstaat die proef met glans. Hij is niet op zichzelf uit, op eigen gewin, maar is bereid om zijn Vader in deze wereld present te stellen.
- Zo zal het zijn hele leven zijn. Hij moet zijn identiteit iedere keer opnieuw waar maken. Hij wordt daarin bevestigd maar ook miskend. Hij ondervindt erkenning, maar ook afwijzing. Hij wordt geprezen maar ook bespot. De miskenningen zijn een aanslag op zijn identiteit, maar Jezus zal trouw blijven tot het einde toe. De band met zijn Vader zal hij nooit opgeven. Ook al wordt hij ter dood veroordeeld en door iedereen verlaten, zijn laatste woorden op het kruis zijn tot zijn Vader gericht. Hij blijft de Zoon, de veelgeliefde, degene in wie God zijn welbehagen vindt, tot op Calvarie, tot in de dood.
- De doop van Jezus in de Jordaan, zo ben ik begonnen, vertoonde de trekken van een gewone doop, van iedere christen in die dagen. Maar als dat zo is, mogen we het misschien ook omdraaien, dus zeggen dat wat voor Jezus‘ doop in de Jordaan geldt in zekere zin ook voor ons opgaat. Ook wij zijn namelijk in de doop zonen en dochters, kinderen van God geworden. Dat is niet iets wat er zo maar bijhangt. Ook voor ons is dit identiteitsbepalend. Ook wij worden veelgeliefden genoemd. Wij mogen er van God zijn. Hij gunt ons het leven. Ook wij hebben zijn Geest ontvangen. Ook wij hebben een nieuwe naam gekregen, een doopnaam, een christennaam. Vanaf dat moment hebben we een nieuw leven ontvangen.
- Dat leven als christenen heeft, zoals voor Jezus, consequenties voor ons handelen. Ook wij hebben tot taak God in deze wereld present te stellen, beeld van God te zijn, zijn gerechtigheid te beoefenen, barmhartig te zijn zoals Hij. In trouw tot het einde toe.
- Jezus kon trouw zijn aan zijn Vader, omdat voor hem de band met zijn Vader wezenlijk was voor zijn leven. Hij wist zich de veelgeliefde, in wie zijn Vader welbehagen had, in wiens gezelschap God graag verkeerde, bij wie God zich thuis voelde. Jezus en zijn Vader hoorden bij elkaar in een twee-eenheid, in een intieme verbondenheid. Jezus bad veel en lang. Bidden was voor hem een thuis komen, rust vinden bij zijn Vader, ademhalen [op adem komen] en nieuwe kracht opdoen.
- Ook wij mogen ons de veelgeliefde kinderen van de Vader weten. Dat zijn geen ijdele woorden. God is met ons begaan. Hij bemint ons evenzeer als Hij Jezus beminde. Wij staan in die relatie die Jezus met zijn Vader had. Wij staan daar niet buiten maar maken er deel vanuit.
- Proberen we dat dan ook van harte te zijn. Laten wij de Geest over ons vaardig worden. Laten we waken over wat zwak en kwetsbaar is, laten we barmhartigheid beoefenen. En laten we trouw blijven aan onze identiteit tot het einde toe.
Harrie Nouwen, Telkens opnieuw een thuis zoeken. Harrie Nouwen in de Bisdom¬raad (20 juni 1996). Op Tocht jg 7 nr 6, aug 1996, blz. 4
Gebed
“Bidden is voor mij gaan betekenen: het luisteren naar degene die mij zijn geliefde zoon noemt. Toen Jezus in de Jordaan gedoopt werd, hoorde Hij een stem die zei: „Jij bent mijn beminde Zoon – op jou rust mijn welbehagen“. Jezus is aan die Stem trouw gebleven. Hij is dat blijven geloven, eraan blijven vasthouden – ondanks het feit dat mensen Hem bewonderden maar ook beschimpten. Hij zegt steeds opnieuw: „Ik ben uiteindelijk nog de geliefde Zoon van God“. Dat innerlijk weten vraagt om voeding, dus om gebed. Voor Jezus betekende bidden: in gemeenschap treden met de Vader, waarin de Vader Hem bevestigde als zijn beminde Zoon. Daaraan kon Hij vasthouden. „Iedereen zal Mij verlaten, behalve mijn Vader. Alles wat Ik zeg, komt van mijn Vader. Alles wat de Vader Mij geleerd heeft, zal Ik u geven. Ik ben niet alleen; Ik ben de gezondene.“ Geloven in Jezus betekent dus geloven in de band tussen Jezus en de Vader die Hem zendt.
Identiteit
“De identiteit die Jezus opeist is dus geen andere dan die van het kind-zijn van de Vader. Daarin schuilt ook het contrast met onze wereld, waarin de identiteit van een mens wordt gevormd door een baan, een goede naam of macht. Zelf voel ik net zo de behoefte om relevant te zijn, bijvoorbeeld door een boek te schrijven dat mensen goed vinden. En bijvoorbeeld de behoefte om aardig gevonden te worden en zelfs een zekere invloed te hebben. Het Evangelie is er om te zeggen dat mijn identiteit niet afhangt van wat ik doe of wat mensen van mij zeggen. Daar draait het volgens mij ook om bij de drie bekoringen in de woestijn. De duivel zei: „doe toch eens wat, verander stenen in brood, spring van het dak zodat de engelen je opvangen en je beroemd kan worden“. Maar Jezus zegt: „Ik hoef niets te bewijzen, Ik hoef niet te bewijzen dat Ik Gods beminde Zoon ben“.
Nu denk ik dat de boodschap van Jezus voor iedere mens is: „Jullie worden net zo door God bemind als Ik door God bemind wordt. Dezelfde intimiteit, dezelfde liefde, dezelfde relatie die Ik heb met God hebben jullie ook.“ Het is niet zo dat Jezus de Zoon van God is en wij er maar een beetje bij hangen. Nee, het Evangelie zegt dat alles wat Jezus gedaan heeft, wij zullen doen – en zelfs nog grotere dingen.”
Fragiel
“Het gebed is ervoor om ons steeds te doen terugkeren naar die identiteit. Uiteindelijk weten we hoe fragiel alles is. En wie ben ik dan eigenlijk? Kan ik voor mezelf opeisen dat ik, afgezien van wat ik doe, tot God behoor; dat ik daar mijn thuis heb? En kan ik misschien zelfs zeggen dat God mij beminde voordat ik geboren werd? Juist voor de psychologie – mijn eigen vakgebied – is die identiteitsvraag van groot belang. Daar gaat het immers altijd om de invloed van ouders, de omgeving, de kerk. Het Evangelie wijst op een vóór gegeven identiteit. Vanuit God gezien wordt het leven zo een onderbreking in de eeuwigheid, een korte kans om tegen God die in eeuwigheid „ik hou van jou“ tegen ons zegt, terug te zeggen: „En ik hou ook van U“. En als we die taak hebben vervuld, worden we snel weer terug geroepen in het hart van God, in die liefde van eeuwigheid.”
Gemeenschap
“Nu zien we ook meteen wat gemeenschap betekent. Gemeenschap begint wanneer we vergeving vragen. Ik zeg tegen een ander of we zeggen tegen elkaar: ik vergeef jou niet al mijn noden te kunnen bevredigen. Vergiffenis is de naam van liefde wanneer ze wordt geleefd onder de mensen. De liefde onder elkaar is elkaar vergeven. Wanneer we elkaar vergeven niet God te zijn, dan kunnen we vieren dat we God aan elkaar zichtbaar kunnen maken. Want als u dan ook niet God bent, dan heeft u in uw gebrokenheid wel een gave voor mij. Pas wanneer we erkennen dat we niet alles kunnen geven, wordt het mogelijk om te geven wat we wèl kunnen geven: beperkte liefde, gedragen door de liefde die van God komt. Wij worden dan personen, een prachtig woord. We worden personen die naar elkaar toe klinken in liefde die groter is dan we zelf kunnen vasthouden. Je zegt tegen elkaar: „je bent een goed mens, je bent de moeite waard om te leven, je mag er zijn.“ Het gaat om de bevestiging dat ik in de ander een bemind kind van God zie. Dat is heel wat anders dan iemand een compliment maken. Een echte gemeenschap van Godswege heeft iets sacra¬menteels: leven in het heden op een wijze dat het heilige zichtbaar wordt. Sacramenteel leven betekent dat zoals wij nu samen zijn, van God komt. Gevoed worden door de gemeenschap vraagt daarom eerst om een geloofshouding. Anders doet die gemeenschap mij niets. Als ik ergens al weet dat ik een beminde zoon van God ben, kan ik het ook samen met een zekere vrijheid, een zekere moed de wereld in gaan en zeggen: we hebben iets te vertellen.