Preek 12 november door Ben Verberne msc
LEZINGEN
Wijsheid 6, 12-16
1 Thessalonicenzen 4, 13-18
Matteüs 25, 1-13
OVERWEGING
Deze week kon ik een avond maar niet in slaap komen. Het werd één uur, half twee
en uiteindelijk heb ik de radio aangezet. Aan het woord was Ahmed Aboutaleb, de burgemeester van Rotterdam. Hij vertelde over zijn ontmoeting met een zekere Tahèr, een jonge kerel uit Irak. Tahèr was 26 en had een tijdelijke verblijfsvergunning in Nederland. Hij een schoonmaakbaantje gevonden, maar intussen was hij alweer van werk veranderd. De onrust zat hem in z’n lijf en nu werkte hij in een kringloopwinkel. Daar, vertelde Aboutaleb, werd op een dag een stoffige piano binnengebracht. Tahèr keek ernaar, maakte die piano schoon en stemde die piano.
Hij sleepte er een stoel bij en begon Schubert te spelen, op een manier die alle aanwezigen rààkte. Wat bleek?
Tahèr was een geschoold musicus. In Irak had hij het conservatorium gedaan. Na zijn komst naar Nederland had niemand hem óóit gevraagd naar zijn capaciteiten, naar wat hij kon, waar zijn hart naar uitging. Hij leefde zijn gewone leven dag na dag.
Hij had er geen behoefte aan zijn kop boven het maaiveld uit te steken. Maar die piano … dat veranderde alles.
Precies over dat gewone, alledaagse leven daarover hoorden we een parabel, van Jezus zelf. Over hoe je je leven moet leven, ook als het zo mat en kleurloos is dat je er bij in slaap valt. We leven als het ware in de nácht. Die nacht duurt lang en intussen is er van God maar weinig te merken.
Er zijn eigenlijk maar twee manieren om met je leven om te gaan: je doet het wijs, verstandig, ‘goochem’, of je doet het dòm. Dom is: niet verder kijken dan wat je met je eigen ogen ziet, niet verder dan je neus lang is. Wijs is: verder kijken, met ogen die gescherpt zijn door het verlangen van je hart. Wat in de parabel opvalt is dat àlle meisjes in slaap vallen: de verstandigen én de ónverstandigen. Vermoeidheid hoort nu eenmaal bij het leven, en slapen is je goed recht. Maar hóe slaap je? Je moet kennelijk zo leven dat je niet voorbijgaat aan wat er leeft in je hart, – dus, leven terwijl je hart wakker is. Er is namelijk méér te zien dan je in eerste instantie denkt. In alles wat je ziet kun je een gezicht ontdekken, een vérgezicht: ‘Kijk daar is de bruidegom’.
Hij staat aan de deur, elk moment van je leven en klopt. Je moet erin dúrven geloven, dat dwars door alles wat er op je afkomt aan hoogte- en dieptepunten,
aan ziekte en gezondheid, aan geluk en ongeluk, er méér is dan je denkt.
Dit verhaal roept ons op om wakkere mensen te zijn, mensen die gráág leven,
die er lust in hebben, – levenslust! Mensen die al doende laten zien dat ‘geloven’ een mens gelukkig kan maken, dat geloven je juist kan helpen om voluit ‘méns’ te worden.
De belangrijke vraag is niet: hoe láng we zullen leven – (70, 80, 90 jaar …), maar hóe we zullen leven: wijs, verstandig, of onverstandig en dom. Of we alert zullen zijn of half slapend door het leven gaan. Het geloof dat de Heer zal komen vertaalt zich in een houding van vertrouwen en hoop, en in een leven met zorg vóór anderen, zorg óm anderen – tegen de onverschilligheid in.
Hoe meer dat vertrouwen en die hoop bezit van ons nemen, hoe jonger we worden,
ook al tellen onze jaren door.