Preek 1e zondag van de Advent.

Overweging 30 november 2025 – Eerste zondag van de advent
Jedidja van Boven – Tilburg School of Catholic Theology

Het is mij een genoegen om bij jullie te zijn vanochtend. Ik ben dan wel duidelijk geen priester, en niet eens een theoloog – ik ben een socioloog, en dan ook nog een in opleiding! Toch zou ik graag wat gedachten met jullie delen in het kader van deze bijzondere periode, Advent ten tijde van het Jubeljaar met het thema Pelgrims van Hoop. Ik wil met jullie nadenken over hoop en zekerheid, met name in de context van de ervaringen van jongeren die zich online uiten over deze onderwerpen.
In onze lezing van het visioen van Jesaja wordt gesproken over het einde der dagen en over hoe dan alles anders zal zijn: van zwaarden tot ploegscharen, en van speren tot sikkels. Een onvoorstelbaar grote verandering.
Ook in de brief aan de Romeinen zegt Paulus dat de nacht ten einde loopt en de dag aanbreekt, en het evangelie van Mattheüs noemt het “uur dat de Mensenzoon komt.” In deze lezingen van verandering, verwachting, en transitie speelt de hoop een belangrijke rol: wij kunnen onze hoop immers stoelen op het geloof dat wij hebben in de nabijheid van deze verandering.
De tekst van Henri Nouwen op de achterkant van ons liturgieboekje vandaag zegt dan ook dat door de belofte van zijn liefde ons leven met recht een “hoopvol wachten” kan zijn, “geduldig en met een glimlach op ons gezicht.” Maar hoe ziet hoopvol wachten eruit als we geen glimlach hebben, en ons geduld op dreigt te raken? Wat is hopen als wij niet geleerd hebben hoe, of als het niet leidt tot de zekerheid waar we op hopen?
Hoop is mijns inziens de minst begrepen onder de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde. De goddelijke deugden zijn gaven van God en komen uit zijn liefde voort, en geloof en liefde zijn allebei verwerkt in de twee grote geboden (U zult de Heere liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand, en U zult uw naaste liefhebben als uzelf) – maar hoe zit het met de hoop? Hebben wij, naast een plicht om te geloven en een plicht om lief te hebben, een plicht om te hopen?
Vorige week woonde ik een dienst bij van de Church of Scotland in de prachtige St Giles kathedraal in Edinburgh. In die dienst werd een gebed uitgesproken om ons af te houden van de valse goden van macht (power), weelde of rijkdom (wealth) maar ook – interessant genoeg – van security: veiligheid? Zekerheid? De valse god van security.
Want doen wij niet anders dan proberen zekerheid te creëren? Als ik kijk naar de online sferen die ik bestudeer en de manier waarop jongeren, van mijn leeftijd en jonger, daar spreken over zichzelf en over de toekomst proef ik een pijnlijke mengeling van onzekerheid en maakbaarheidsdrang. Veel jongeren zijn groot geworden met tijden die alsmaar onzekerder lijken te worden, en in de context van de afbraak van pijlers die eerder houvast gaven; de hang naar controle, identiteit, grip op het leven en op het zelf is enorm. Het zou ons dan ook niet moeten verbazen dat dit leidt tot een florerende cultuur van maakbaarheid: als ik deze stappen neem, dan voel ik mij zeker. Het idee heerst dat het individu concrete acties kan ondernemen om zekerheid af te dwingen op een manier die naadloos aansluit op eigen overtuigingen en voorkeuren.
Wat betekent dit voor het beeld van hoop dat wordt neergezet? De interpretatie van hoop is hier tweezijdig. Ten eerste wordt hoop veelal als synoniem gebruikt voor een optimistisch soort veiligheid en zekerheid: niets kan mij dan nog overkomen, als ik maar zus en zo doe. Ten tweede is hoop in deze context een individueel gegeven; het moet door jou alleen gevonden worden, en het is niet aan jou om het op te dringen aan anderen. Dat moeten ze zelf maar uitzoeken.
Tegelijkertijd observeerde ik op sociale media veelal dat deze zoektocht naar identiteit niet aan al te veel hoop mag worden gekoppeld: dat je vooral niet te veel moet geven om iets, niet te openhartig moet zijn omdat je anders met de grond gelijk wordt gemaakt als naïef of onwetend. Er wordt dus (met name van jongeren) verwacht dat zij wel degelijk een stabiele identiteit vinden en een gevoel van controle vaststellen, maar zonder te kwetsbaar of te hoopvol te zijn. Daarmee vallen zij, en wij, tussen wal en schip: het wel degelijk aanwezige verlangen naar stabiliteit en zekerheid wordt gekoppeld aan een afwijzing van kwetsbare, echte hoop.
Maar hoop valt niet te creëren door een gevoel van zekerheid, door ons eigen vermogen om de toekomst naar onze hand te zetten of om een bepaalde uitkomst af te dwingen.
We kunnen juist wanhoop lezen als een mate van zekerheid, een overtuiging dat er geen ruimte voor hoop is – zoals J. R. R. Tolkien het zegt, “wanhoop is de toekomst buiten alle twijfel om als gesloten zien”, – en dat is, zo zegt ook Tolkien, een zekerheid die aan God alleen is voorbehouden. Wanhoop gaat daarmee tegen Gods almacht in. Hoop is dus onlosmakelijk verbonden met onzekerheid, kwetsbaarheid, en niet-weten.
Ik zou eenieder willen aanmoedigen om te spreken over hopen als werkwoord; als een vaardigheid die jongeren in het bijzonder dringend moeten leren, maar die ook verbintenis met anderen vraagt. Ik denk dat de kerk hierin zeker een belangrijke rol kan spelen – maar dit vereist ook van de kerk dat zij zich kwetsbaar opstelt. Dit jaar is niet alleen een jubeljaar; het is ook het 60-jarige lustrum van de afsluiting het Tweede Vaticaanse Concilie, die werd beëindigd met de boodschap dat de kerk behoort te dienen, niet om gediend te worden.
Hoop is de “leegte die nog openstaat”. Om te hopen, hopen als werkwoord, dienen wij dus de grenzen van ons weten en onze vastigheden te erkennen. Want het is in het grijze gebied tussen die grenzen, in- en voorbij die grenzen, dat God verschijnt.

Leave a comment