Preek 2 maart 2025

Zondag 8 jaar C Lucas 6 39-45. Door Hans Kwakman
Een van de dingen die het meest opvalt in Jezus’ omgang met de mensen is wel, dat Hij altijd de mensen probeert te overtuigen van hun eigenwaarde. Wanneer bijvoorbeeld iemand bij Hem komt en vraagt, “Wat is het belangrijkste gebod” vraagt hij aan die persoon: “Wat denk je er zelf van?” Wat is volgens jou het belangrijkste gebod? Hij stelt de mening van de ander op prijs. Of wanneer hij mensen van hun kwalen geneest, zegt Hij niet “Mijn Vader in de hemel heeft je genezen”, maar je geloof heeft je genezen, het vertrouwen dat leeft in je hart, jouw vertrouwen in Mij, heeft je genezen. In het evangelie van vandaag wil Hij ook ons gevoel van eigenwaarde versterken door te spreken over de schatkamer van ons hart. Waarom zijn goede mensen immers goed? Omdat ze het goede te voorschrijn brengen uit de schat van goedheid in hun hart. Of zoals de nieuwe vertaling het zegt: ”Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn hart het goede voort.” En Jezus voegt er aan toe: “waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.”
Zo vaak vertelt Jezus ons ook dat wij het Rijk Gods en de Geest van God op de allereerste plaats moeten zoeken in ons hart. Wij Katholieken worden vaak uitgenodigd om de Eucharistie of een Woord en Communie Dienst bij te worden. Wij worden aangespoord om tot heiligen te bidden of om bepaalde devoties te beoefenen. En dat is allemaal heel goed. Maar daarmee worden wij er toe aangezet om de bron van goedheid buiten ons zelf te zoeken. Daarentegen wijst Jezus allereerst op ons hart als de bron van goedheid. Want Gods Geest is uitgestort in ons hart. Gods Geest is aan het werk in ons hart.
Onze Stichter, Pater Chevalier was zich terdege bewust van de nadruk die Jezus legde op ons hart. Hij schrijft: “Het is door het hart dat we iets betekenen. Het is het hart dat onze gedachten, daden, intenties waardevol maakt. Goed is datgene wat uit de schatkamer van ons hart voortkomt. Een goed mens put het goede uit de schat van goedheid in zijn hart” (Lucas 6:45). En in 1965 schreef het Tweede Vaticaans Concilie heel uitdrukkelijk: “In het diepst van ons geweten ontdekken wij mensen een wet, die ons steeds weer oproept om het goede te beminnen, het goede te doen en het kwade te vermijden.
Op het juiste moment spreekt de stem van het geweten tot ons hart: doe dit, vermijd dat. Want wij hebben in ons hart een wet, door God geschreven. Daaraan te gehoorzamen is onze waardigheid. Volgens deze wet zullen wij worden geoordeeld. Het geweten is verborgen in het heiligdom van ons hart, waarin wij alleen zijn met God, wiens stem in ons hart weerklinkt.” (Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes 1965, n. 16).

Ons hart is niet alleen een bron van goed en kwaad. Het is ook een bron van verlangens. God schept in ons hart verlangens, die overeenstemmen met zijn eigen verlangens. Onze verlangens naar liefde, vrede en gerechtigheid en heelheid van de schepping zijn in feite een openbaring van Gods verlangens naar liefde, vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping.
Onlangs las ik weer eens in de dagboekaantekeningen en brieven, nagelaten door Etty Hillesum. U kent haar wel, de jonge joodse vrouw, die voordat ze met haar familie naar Auschwitz werd afgevoerd in kamp Westerbork werd opgesloten. Vandaar schreef ze op 11 Augustus 1943 aan een vriendin: “De meeste mensen zijn hier (in kamp Westerbork) veel armer dan men zou behoeven te zijn, omdat men het verlangen naar vrienden en familie op de verliespost van het leven boekt, terwijl toch eigenlijk het feit, dat een hart zozeer in staat is om te verlangen en lief te hebben tot kostbare goederen gerekend moet worden.” (Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum, 1941-1943, p. 679). Etty zegt dus eigenlijk, dat we onze verlangens naar dierbaren (en we mogen er aan toevoegen naar vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping) niet allereerst moeten beleven als verlangens naar iets wat wij missen, maar als kostbare bezittingen. De verlangens, verborgen in de schatkamer van ons hart, vormen onze rijkdom. Maken ons rijk. In dat zelfde kamp Westerbork, waarin Etty haar ouders en broer moest zien lijden en waarin zij zelf van de ene verschoppeling naar de andere gaat om troost te bieden, kon Etty schrijven: “Je hebt mij zo rijk gemaakt, mijn God, laat mij ook met volle handen uit mogen delen.” (idem, p. 682). Zij begreep wat Jezus bedoelde, toen Hij sprak over de schatkamer van ons hart.

Leave a comment