7 november 2021
Overweging op Willibrordzondag bij Marcus 16, 15-20
Ton Zwart
Het is nogal wat dat missionarissen beloofd wordt: in Jezus’ Naam zullen ze duivels uitdrijven, nieuwe talen spreken, slangen opnemen, zieken genezen en ze kunnen vergif drinken zonder dat het hun wat doet. Je denkt dan: was het maar waar, dan zou in de kortste tijd iedereen een enthousiaste volgeling van Jezus worden!
Zelf ben ik missionaris in de Filippijnen geweest en ik heb de lokale taal (om me tot de taal te beperken) met veel moeite moeten leren en ondanks alle moeite sprak ik die taal toch altijd maar gebrekkig. Je hoorde zo dat het mijn moedertaal niet was.
Wat dus te denken van al die beloftes van Jezus aan zijn missionarissen? Moeten we die opvatten als vrome overdrijvingen? Wil daar vooral mee gezegd zijn dat missionarissen zich nooit alleen mogen voelen in hun verkondiging van Jezus als de weg, de waarheid en het leven? Dat zij daarom niet bang moeten zijn voor tegenslag, voor wat hun zou kunnen overkomen, want de Levende laat hen nooit in de steek? Hij gaat toch altijd met hen mee en draagt zorg voor hen als een Goede Herder voor zijn schapen?
Hoe heeft de heilige Willibrord dit allemaal beleefd in zijn tijd? Hoe zocht hij zijn weg in het land van de Friezen, dat toentertijd een groot deel van het huidige Nederland besloeg?
We weten in ieder geval dat Willibrord niet alleen kwam. Hij kwam met 11 gezellen, dus samen waren ze met z’n twaalven. Dat kan niet toevallig zijn. In onze joods-christelijke traditie steekt achter het getal twaalf een geloofsopvatting. Het verwijst naat het volk van God. Dus ligt het voor de hand te denken dat Willibrord en zijn gezellen zich zagen als de kern, als het begin van het nieuwe volk van God in de lage landen, dat zij zich zagen als de gezondenen om de Friezen rondom Christus te verzamelen en in zijn Geest te laten leven. Dat was een zending die zij hadden ontvangen en daarom was het ook een zending die op de zegen van boven kon rekenen.
Maar Willibrord was ook een heel praktische man. Hij wist van de gespannen verhoudingen tussen de Friezen en de Franken, tussen koning Radboud en hofmeijer Pepijn II. Tijdens zijn leven waren vooral de Franken aan de winnende hand. Zij breidden hun territorium steeds meer uit, eerst tot aan de grote rivieren maar daarna ook verder naar het noorden. Wat Willibrord deed als een van de eerste dingen na zijn landing aan de monding van de Oude Rijn was de steun zoeken van de Franken. Hij ging naar hofmeijer Pepijn en kreeg van hem de steun die hij nodig had: bescherming allereerst en levensonderhoud.
Willibrord deed nog meer. Hij ging ook naar Rome om de zegen te vragen van de toenmalige Paus, Sergius I. Willibrord wordt dan ook wel beschreven als een diplomatiek iemand, iemand die wist om te gaan met de overheden van zijn tijd en in hen medestanders zag en geen tegenstanders.
In die tijd was missionaris-zijn best gevaarlijk. Dat wordt niet alleen geweten aan de gespannen verhouding tussen de Friezen en de Franken, maar ook aan de gevestigde missionaire praktijk. De missionarissen van die dagen konden hardhandig optreden: zij sloegen wat zij afgodsbeelden noemden stuk, hakten heilige bomen om en ontwijdden sacrale bronnen. Dat deden zij niet zo maar, uit heilige verontwaardiging. Nee, ze wilden aan de Friezen, aan de Germanen, laten zien dat hun afgoden krachteloos waren en geen antwoord hadden op het uitdagende optreden van de missionarissen. Er kwam geen bliksem en donder uit de hemel, dus moest die nieuwe God die gepredikt werd wel machtiger zijn dan hun traditionele goden. Het was een missionaire praktijk die zelfs aanbevolen werd door Paus Gregorius I.
Het is niet bekend in hoeverre Willibrord aan deze missionaire praktijk heeft meegedaan. Vandaag de dag zouden wij zeggen dat deze werkwijze niet alleen riskant is, maar ook niet getuigt van veel respect voor de lokale gebruiken en de inheemse godsdienst. Missie als dialoog bestond blijkbaar in die dagen nog niet. Missie als allereerst luisteren en daarna pas verkondigen. Missie zonder machtsmiddelen maar als een samen op weg gaan en samen zoeken naar de waarheid die ons allemaal te boven gaat.
Ondertussen hebben we veel aan Willibrord en aan zijn gezellen te danken. Ze trokken onvermoeid rond. Ze waren geen missionarissen die een centrum stichtten – een kerk, een klooster, een school, een marktplaats – en de mensen naar zich toe lieten komen. Nee, zij stichten wel centra maar meer als uitvalsposten om van daaruit naar de dorpen te gaan en door het veelvuldige contact een band op te bouwen met de mensen. Ze deden meer dan kapot slaan, ze investeerden tijd in mensen, ze spanden zich in om mensen nabij te zijn.
Willibrord leefde in een missionaire tijd. Wij leven dat eigenlijk ook. Voor Willibrord waren de lage landen nog voor-christelijk, voor ons is dat na-christelijk geworden. De meerderheid van de bevolking heeft het christendom achter zich gelaten: naar hun gevoelen is het christendom niet meer van deze tijd. Als we het daar niet mee eens zijn en geloven dat Christus wel degelijk ook relevant is voor onze tijd en onze samenleving, zal het zaak zijn om met de mens van deze tijd in gesprek te gaan en goed te luisteren naar wat zijn bezwaren zijn om Jezus te volgen, om in Jezus de weg, de waarheid en het leven te erkennen. Luisteren, goed luisteren, gaat aan de verkondiging vooraf.
Op 17 oktober is in de Nederlandse Kerkprovincie het synodale proces gestart. Het is een proces dat bedoeld is om alle gelovigen zoveel mogelijk bij het kerkelijke gebeuren te betrekken. Als gedoopten hebben ze daar gewoon recht op. Toch hoop ik dat het synodale proces zich niet beperkt tot de trouwe kerkgangers, maar zich ook richt op die veel grotere groep mensen die niets met de kerk zegt te hebben, dat ook zij de kans krijgen om zich te uiten over wat zij de zin van hun leven vinden, over wat voor hen belangrijk is in hun leven. Dan wordt het synodale proces niet alleen iets dat binnenkerkelijk wordt ingevuld, maar wordt het een missionaire beweging. Het lijkt me zo dat Willibrord daar wel achter zal staan. Amen