14 november 2021
LEZINGEN
Daniël 12, 1-3
Markus 13,24-32
OVERWEGING
Vaak worden de woorden die we zojuist als evangelie lazen “de apocalyps van Markus” genoemd. Apocalyps: onthulling. Vreselijke rampen onthullen dat het einde nabij is: oorlog, verwoesting, hongersnood, vervolging en ontreddering. Rampen, zo verschrikkelijk, dat je wel moet denken: erger kàn het niet. Dit is het einde van alles!
Deze week kwam de klimaattop in Glasgow tot een einde. Een historische gebeurtenis. Nederland en veel andere landen stoppen met investeren in fossiele brandstof, maar voor veel mensen, vooral op de eilanden in de Stille Oceaan is het dramatisch weinig en veel te laat. Op veel van deze eilanden hebben onze Zusters, Paters en Broeders van onze beide congregaties als missionaris gewerkt en generaties lang het leven met mensen gedeeld. Langzaam stijgt het niveau van de oceaan en verdwijnen deze eilanden onderwater.
Er bestaan trouwens ook apocalypsen ‘in het klein’. Als iemand te horen krijgt dat zij ongeneeslijk ziek is, of wanneer ouders getroffen worden in hun kinderen of kleinkinderen, begeeft hun wereld het. Dan zakt het leven in elkaar. Of ik denk aan dat tragische ongeluk dat vannacht heeft plaatsgevonden bij Helmond: een botsing met een ambulance werd drie jongens van 15 en 16 jaar fataal. Een vijftienjarige jongen uit Eindhoven en de ambulancemedewerkers liepen verwondingen op.
Dit alles laat de gruwelkant zien van ons bestaan; een kant die vaak wordt weggemoffeld onder een deken van gezelligheid: we praten er maar liever niet over.
Toen Markus of de kring rond hem zijn evangelie schreef, maakten de eerste christenen het mee: de verwoesting van de tempel in Jerusalem, de vervolging in Rome onder keizer Nero. Dit alles klinkt na in het evangelie van vandaag.
Toch horen we ook woorden van troost. Dit alles, zegt het evangelie, kun je zien als een einde, maar ook als een moeizaam groeien naar een nieuw begin, naar voltooiing. Vandaar die woorden “de zomer komt en de Mensenzoon gaat de oogst binnenhalen”. Alsof er gezegd wordt: in tijden van oorlog en gevaar, wanneer de wereld het begeeft, zijn er goddank ook altijd weer mensen die nuchter de mogelijkheden en onmogelijkheden inschatten en inzetten op de goède krachten die in ons leven: de kracht van het gezond verstand, de moed om te overleven en het met elkaar uit te houden ondanks alle tegenstellingen en verschillen, het vermogen om lief te hebben – liefde te geven en liefde te ontvangen – de kracht om zorg te dragen voor de schepping, ons gezamenlijk huis.
Leer van de vijgenboom: in de winter verliest hij zijn bladeren en in het voorjaar loopt hij opnieuw uit. Misschien is dàt wel wat geloven werkelijk is: terwijl de winter – de èchte winter – nog moet komen, er toch op durven vertrouwen dat er weer een zomer komt. Van Maarten Luther, de grote kerkhervormer ten tijde van de Reformatie, gaat het verhaal dat hij op een dag appelboompjes aan het planten was in de tuin achter zijn huis. En terwijl hij druk in de weer was, keek zijn buurman over de heg en vroeg: “Maarten, wat zou je doen als morgen het einde van de wereld zou aanbreken?” Maarten Luther pakje het volgende boompje en zei: “Gewoon doorgaan met planten”.
Wij staan in een traditie van geloven. De meesten van ons hebben dat geloven van huis uit meegekregen en ook nu we op leeftijd komen, blijft ons hart uitgaan naar wat er in de wijde wereld gebeurt en tegelijkertijd houden we aandacht voor elkaar. We houden de vensters van ons hoofd en hart open en gaan aandachtig, zorgzaam om met mensen om ons heen. Huisgenoten en buren die wonen op dezelfde gang als wij … niemand verdient het dat we ze laten vallen. We gaan verder met elkaar.
Dat heeft alles te maken met geloven in de zomer die komen gaat en met die appelbomen, waar Luther het over had. En dus … gewoon doorgaan met planten, iedere dag opnieuw!
Ben Verberne msc
Notre Dame